Het zijn veelbelovende teksten waarmee het nieuwe kabinet het aloude poldermodel nieuw leven wil inblazen. Dit keer geen blauwdruk van bovenaf, vastgelegd in een onwrikbaar regeerakkoord, maar eerst zoeken naar draagvlak voor het beleid in een open dialoog met burgers, maatschappelijke organisaties en medeoverheden. En dat alles op basis van de filosofie dat de overheid vertrouwen moet schenken door de samenleving de ruimte te geven én vertrouwen moet verdienen door in dienstbaarheid goed werk af te leveren.
Het zal de honderdduizenden demonstranten die nog maar een paar jaar geleden te hoop liepen op het Amsterdamse Museumplein als muziek in de oren klinken. Toen een overheid die het polderoverleg driest doorkruiste en nadrukkelijk haar eigen verantwoordelijk nam. En nu een overheid die wel te kennen heeft gegeven wat zij wil bereiken, maar voor het ’hoe’ eerst uitvoerig te rade gaat bij burgers, organisaties en medeoverheden.
Het klinkt ook zo veelbelovend omdat het poldermodel waar het kabinet nu voor kiest in positieve zin afwijkt van het aloude model. Dat kenmerkte zich door eindeloos gepalaver tussen de overheid enerzijds en werkgevers- en werknemersorganisaties anderzijds. Soms werkte dit model uitstekend, zelfs in die mate dat het buitenland hier op de stoep stond om zich te vergapen aan het Hollandse wonder. Maar vaak ook stond het garant voor stroperigheid en niet te doorgronden compromissen.
Daarmee vergeleken is het nieuwe poldermodel breder van opzet. Het wil ook burgers en professionals in de dialoog betrekken. Bovendien laat het een ruime marge voor initiatieven van de burgers zelf. Het nieuwe model heeft, zoals het heet, een open oog voor de menselijke maat en kleinschalige verbanden. Maar hoe veelbelovend ook, dit model krijgt onherroepelijk te maken met het probleem van de representativiteit. Dat was een groot probleem van het oude model, in die zin dat vakbeweging en werkgeversorganisaties niet echt representatief meer zijn. Dat los je niet op door er loslopende burgers bij te betrekken.
Uiteindelijk mag in Nederland slechts één orgaan zich representatief noemen en dat is de rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordiging. Die is ook de eerst aangewezene om de dialoog mee aan te gaan. Het parlement hoede zich ervoor om zich weg te laten spelen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.