*

 

Pierre, Pierre en Patrice

Peter van der Lint − 02/06/07, 00:00

Plots zaten ze daar donderdagavond in de foyer van het Muziektheater: Pierre, Pierre en Patrice – oftewel het ABC van het Holland Festival 2007: Audi, Boulez en Chéreau. De tweede voorstelling van Leos Janáceks opera ’Uit een dodenhuis’ was juist daarvoor weer laaiend enthousiast ontvangen, door een publiek dat zich had laten verrassen en ontroeren door Boulez’ lucide directie en Chéreau’s diepmenselijke en tedere regie. Dat goed getroffen woord ’teder’ werd door een bezoekster gebruikt, toen ze in deze ontmoeting tussen makers en publiek een vraag stelde aan de regisseur.

De openingsvoorstelling van het 60ste Holland Festival maakte dinsdagavond zo’n diepe indruk op me, dat ik besloot om deze donderdag nog een keer te gaan kijken. Hup, een diepe greep in de portemonnee en wederom anderhalf uur oren en ogen openstellen voor dit wondertje van muziektheater. Nog één keertje Boulez meemaken als operadirigent, want de 82-jarige stopt na deze Janácek met opera.

Twee jaar terug hoorde ik Boulez in Bayreuth Wagners ’Parsifal’ dirigeren. Een onvergetelijke gebeurtenis, muzikaal gezien dan. Boulez had graag gewild dat hij voor ’Parsifal’ óók had kunnen samenwerken met Chéreau, maar die zei eerder deze week in het interview dat ik met hem had, dat hij helemaal niets van ’Parsifal’ begreep. Het lag toen op het puntje van mijn tong om te zeggen: ’De regisseur die het in uw plaats deed, ook niet!’ Aan het regieconcept van Christoph Schlingensief kon ík in elk geval geen touw vastknopen.

De kans voor de bezoekers van de Janácek-opera om de makers te ontmoeten, werd door velen aangegrepen. Er ontstonden geanimeerde en geestige discussies met Pierre Audi als scheidsman. Zo wilde iemand weten of de gevangenisthematiek van de opera, Chéreau niet had verleid om de spelers oranje Guantánamo Bay-pakken aan te trekken? „Dat zou het makkelijkste zijn geweest wat ik had kunnen doen”, antwoordde Chéreau, „en zó saai en vervelend”. Het was vast onbedoeld, maar de sneer naar Peter Sellars was nauwelijks mis te verstaan.

Wat had het hen gebracht, deze Janácek, wilde Audi weten. „In ieder geval geen doodsbedreigingen”, zei Chéreau, verwijzend naar het Bayreuth-publiek toen hij daar met Boulez ’Der Ring des Nibelungen’ deed. Boulez haakte daarop in en zei dat hij de receptietransformatie van die productie – van het slechtste ooit gemaakt tot het beste wat Bayreuth heeft gezien – heel interessant vond. Boulez en Chéreau zijn geaccepteerd – en hoe! In Bayreuth, na ’Parsifal’, leek dat even niet zo, toen ik naast me ineens ’boe’ hoorde. Maar dat bleek een Française te zijn die zó enthousiast was dat ze zijn naam scandeerde: ’Bou - lez, Bou - lez’ met de nadruk steeds hard op de eerste lettergreep.

mailIcon print |