’Heftig’, zegt de ene man tegen de andere man. Wachtend in de rij voor kaartjes in het Rotterdamse filmtheater Cinerama gaan de gesprekken al snel over de meest indrukwekkende filmervaringen. ’Heftig’, klinkt het opnieuw. De man voor me in de rij is naar ’The Mark of Cain’ geweest, en kan er nog even niet over uit. ’Die jongens in Irak. Man, wat een hel’.
De Britse film ’The Mark of Cain’ staat inmiddels op nummer 6 in de publieksenquête van het International Film Festival Rotterdam, een lijst die al een paar dagen wordt aangevoerd door ’Das Leben der Anderen’, het Duitse Stasi-drama van debutant Florian Henckel von Donnersmarck, dat straks op 25 februari ook kans maakt op de Oscar voor de beste buitenlandse film.
Anders dan ’Das Leben der Anderen’ – een drama dat al veel prijzen won voordat het hier in de vergaarbak ’Cinema of the World’ terechtkwam – beleeft ’The Mark of Cain’ deze week zijn wereldpremière op het festival.
Regisseur Marc Munden, die tot nu toe vooral voor de BBC werkte, gebruikte gesprekken met terugkerende Britse soldaten als leidraad voor een speelfilm die de minder plezierige kanten van de oorlog in Irak in beeld brengt.
Munden vertelt het verhaal van de twee Britse vrienden Shane Gulliver en Mark Tate, die in 2003 als 18-jarige Britse soldaten in de Iraakse stad Basra terechtkomen. Als er iets heel ergs gebeurt – hun kapitein wordt op een dag gedood door een bom – reageren de soldaten ook met iets heel ergs – ze gaan over tot het mishandelen van gevangenen. Als ze later veilig thuis in Engeland denken te zijn, verschijnen er foto’s van de mishandelde mensen. Shane en Mark zouden wel eens vervolgd kunnen worden.
De man die naar de ’The Mark of Cain’ is geweest, wil nu ook naar die andere Irak-film; kom, hoe heet die ook alweer? De man bedoelt ’Crossing the Dust’, het debuut van de Iraakse Koerd Shawkat Amin Korki die jaren geleden alweer uit Iraaks Koerdistan vluchtte en in Iran terechtkwam.
Korki’s verhaal speelt zich af in 2003, tijdens de Amerikaanse invasie van Irak. In plaats van twee Britse soldaten volgen we twee Koerdische soldaten die met voedsel op weg zijn naar kornuiten en onderweg een 5-jarige jongen oppikken die zijn familie kwijt is.
De spanning tussen de soldaten loopt op als het joch Saddam blijkt te heten. De ene soldaat maakt het niets uit, hij wil het jongetje helpen. De andere soldaat weigert verdere hulp.
En misschien is er met ’Container’ wel een derde Irak-film op dit festival aanwezig, al wordt de nieuwste film van Lukas Moodysson niet als zodanig geafficheerd. In een brei van groezelige zwart-witte beelden volgen we een dikke, depressieve travestiet die heel veel spullen om zich heen heeft verzameld, en het liefst met een bankstel op zijn buik slaapt.
Het ziet er allenig, verward en tamelijk hopeloos uit, al is er soms ook een heel klein Aziatisch kind-vrouwtje, dat hij als een rugzakje op zijn rug draagt.
’Container’ is de idiootste en qua vorm radicaalste film die ik tot nu toe heb gezien in Rotterdam. Een gedrocht dat niet snel los laat. De film is gemaakt door een regisseur die enkele jaren geleden (denk aan ’Fucking Amal’, ’Together’ en ’Lilya 4-ever’) nog tot het Zweedse toptalent werd uitgeroepen en tot de belangrijkste Zweedse regisseur na Ingmar Bergman. De zeurderige, stroperige meisjesstem die in ’Container’ is te horen, spreekt, onder heel veel meer, over Irak.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.