De overdracht van inkomsten van jong naar oud daalt in de komende jaren. Daarnaast stijgt de koopkracht van 65-plussers minder hard.
Deze week praten CDA, PvdA en ChristenUnie onder leiding van de heer Wijffels verder om tot een nieuw kabinet te komen. De ouderenorganisaties zijn van mening dat een bejaardenbelasting voor toekomstige rijkere ouderen geen onderwerp van gesprek meer hoeft te zijn. In een onlangs verschenen rapport van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) over de inkomenspositie van ouderen valt immers te lezen dat ouderen het in de toekomst steeds beter krijgen.
Dat betekent dat rijkere 65-plussers op termijn meer bijdragen aan de kosten van de AOW en de gezondheidszorg. Een extra belasting voor rijke ouderen (bejaardenbelasting) is vooralsnog niet nodig. Er is al sprake van een ’sluipende bejaardenbelasting’, waarbij van rijke ouderen verhoudingsgewijs meer gevraagd wordt dan van arme ouderen.
Uit het rapport van Sociale Zaken blijkt dat het inkomen van senioren fors toeneemt. In de nabije toekomst zijn zij zelfs gemiddeld rijker dan 65-minners. Mensen zijn steeds hoger opgeleid en werken bovendien langer door. Het aanvullend pensioen wordt een steeds belangrijker onderdeel van het inkomen. Voorts wordt aangenomen dat zowel de AOW als de aanvullende pensioenen jaarlijks worden verhoogd. Ook dat draagt bij aan de gunstige vooruitzichten.
De toename van het inkomen van gepensioneerden heeft gevolgen voor de verdeling van de bijdragen van de verschillende generaties aan de kosten van de AOW en de gezondheidszorg. Momenteel bestaat ruim de helft van het inkomen van 65-plussers uit belastingmiddelen die worden opgebracht door jongere generaties. Omdat het gemiddeld inkomen van ouderen fors toeneemt, betalen zij in de toekomst ook meer directe en indirecte belastingen. Het aandeel van de inkomensoverdrachten van jong naar oud neemt daardoor af van 52 procent in 2006 tot 38 procent in 2030.
Bij de inkomensverbetering van gepensioneerden mag beslist niet uit het oog worden verloren dat het gaat om een gemiddelde. De trend wordt voor ongeveer de helft bepaald doordat armere generaties overlijden en nieuwe rijkere generaties hun intrede doen. De nieuw gepensioneerden vergelijken hun inkomen echter niet met dat van eerdere generaties. Vergeleken met de situatie voorafgaand aan de eigen pensioenleeftijd zien zij hun inkomen achteruit gaan. De andere helft van de inkomensverbetering komt tot stand doordat volgens Sociale Zaken de koopkracht van alle ouderen zo’n 1 procent per jaar stijgt.
Met een verwachte koopkrachtstijging van 1 procent dreigen de huidige senioren er bekaaid van af te komen. Zeker als we bedenken dat dit percentage lager uitvalt als de AOW en/of de aanvullende pensioenen niet of slechts gedeeltelijk worden geïndexeerd. Deze onzekerheid is voor ouderen extra zuur omdat hun koopkrachtstijging waarschijnlijk ook al lager zal zijn dan die van 65-minners. Uit onderzoek van het Centraal Planbureau van de verkiezingsprogramma’s blijkt dat bij alle politieke partijen de groep ouderen achterblijft. De toename van koopkracht van 65-minners ligt tussen 0,75 en 2,75 procent per jaar, terwijl die van 65-plussers varieert van 0,75 procent tot 1 procent. Oorzaak is de verhoging van de belastingkorting voor werkenden. Veel partijen kiezen daarvoor om het verschil tussen werk en uitkering te vergroten. Werk moet immers lonen. Gepensioneerden kunnen hun inkomen veelal niet verbeteren. Daarom trekken de ouderenorganisaties, verenigd in het CSO, aan de bel.
Een extra verhoging van de AOW en/of een verhoging van de belastingkorting voor ouderen is nodig om scheefgroei tussen de generaties te voorkomen. Het kan toch niet zo zijn dat een sociaal-christelijk kabinet accepteert dat 65-plussers minder in de welvaart meedelen dan 65-minners. Zeker nu het bekostigen van de vergrijzing minder problematisch is dan eerder werd gedacht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.