Zonder religieuze beleving geen religie – misschien is ze wel de kern ervan. Toch lees je er maar weinig over. In deze rubriek beantwoorden mensen vragen over wat ze op religieus gebied hebben beleefd. Vandaag: Paul Stolwijk.
Wat hebt u meegemaakt?
„Twaalf jaar geleden ben ik met de priesteropleiding in Rotterdam gestopt. Ik zag het niet meer zitten met God, kerk en mezelf. Je wordt ingelijfd in de kerk van Christus, leeft in een groep, volgens een strak stramien – vroeg op en vroeg naar bed, bidden, studeren, huishouden. Over gevoelens werd niet gesproken. Als priesterstudent had ik mezelf welbeschouwd emotioneel verwaarloosd.
Toen het nog goed was tussen de kerk en mij, geloofde ik dat de kerk de plaatsbekleder was van God op aarde, en dat ook priesters via bisschop en paus dat waren. Ik was behoorlijk verwaand. Als je de kerkelijke leer maar volgde, dan zat je goed. Ik deed veel devoties, geloofsoefeningen. Zo liep ik twee keer per week met een boekje in de hand de veertiendelige kruiswegstaties in de kerk en bad ik. Het lijden van Christus stond centraal. Maar in werkelijkheid leed ik aan mezelf. Ik ontdekte dat ik homoseksueel ben, en dat seks een bron van leven is, een manier om je verbonden te weten met de aarde, de natuur, jezelf en de andere mensen.’’
Hoe bent u op religieus gebied veranderd?
„Vroeger kwam God op de eerste plaats, nu de mensen en ikzelf. Ik had werk gezocht in de thuiszorg voor ouderen en ik zag mensen maanden op bed liggen lijden voordat ze mochten sterven. ’Broeder, waarom komt God mij niet halen?’, Vroeg er een. Ik heb op de gang een potje staan janken. ’Hé God, waar ben je nou?’, vroeg ik. Ik begon ook aan het bestaan van God te twijfelen.
Toen volgden er een paar gebeurtenissen die me overtuigden van het bestaan van een leven na de dood. Ik had een kaakoperatie gehad en lag op de recovery toen ik een verpleegster hoorde roepen: ’Bloed wegzuigen, hij stikt!’
Ik zag mezelf op het bed liggen en zag van bovenaf toe hoe ik vervolgens weggereden werd. Ik werd in een zwart gat getrokken en ik zei: ’Ik ga’. Punt.
Dit is een keerpunt geweest, ook al besefte ik me dat toen nog niet. Tot dan toe had ik geloof in God altijd gekoppeld aan een leven na de dood. Daar zaten voorwaarden aan – trouw, sacramenten et cetera Nu kon ik dat loslaten. Ik kwam uit die kramp. Er zijn helemaal geen voorwaarden voor een eeuwig leven. Dat heb je sowieso. Later zat ik bij nabestaanden in de kamer waar de dode was opgebaard om te bespreken hoe we de uitvaart zouden doen. De radio stond aan en ik vroeg of die uit kon. Hij ging uit en we dachten na over wat de dode zelf gewild zou hebben. Toen begon de radio op eens spontaan O happy days te spelen, een lied van The Mama’s and the Papa’s. De dode wilde een vrolijke begrafenis, begrepen wij, en we hebben dat lied toen ook gedraaid.
Een eeuwig leven heb ik dus, en of God bestaat of niet, vraag ik me niet meer af: ik ga er gewoon vanuit. Geen man met baard, maar het eeuwige universum. Bij de goede dingen die gebeurden, bedank ik het universum, bij de slechte denk ik ‘er komen betere dagen, heb geduld’. Eigenlijk ben ik religieuzer dan toen ik voor priester studeerde. Ik heb me tot taak gesteld te doen wat ik hier op aarde het best kan doen: mijn gevoelens ontwikkelen en het contact met anderen verbeteren.’’
Hoe doet u dat?
„Ik mag tegenwoordig fouten maken van mezelf. Je vergeet wel eens een pil te geven, nabestaanden kunnen me het gevoel geven dat ze zitten te zeuren, soms heb ik haast. En ik oefen, bijvoorbeeld door in alle rust tot twintig te tellen als iemand sloom is en ik mijn ongeduld voel. Ik voel mezelf daar niet meer eindeloos schuldig over fouten. Soms ga ik voor de spiegel staan en zegt ik: ‘Stol, je bent een klootzak’. En dan moet ik lachen.’’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.