*

 

Op zoek naar de wolf

Haro Hielkema − 08/09/07, 00:00

Het Nationaal Park Majella in de Abruzzen wordt ook wel het Tibet van Italië genoemd. Een beetje overdreven: de hoogste piek is ’slechts’ 2793 meter. Maar mooi is het er wel.

Vanuit het hectische Rome is het maar twee uurtjes rijden naar het Nationaal Park Majella. Maar dan kom je ook bijna niemand meer tegen die zich de opvolger van Michael Schumacher waant. De meeste automobilisten genieten van de rust en het landschap.

Majella is met z’n beboste valleien en kale bergtoppen in 1995 uitgeroepen tot nationaal park en maakt met nog twee andere parken deel uit van de regio Abruzzen. Het ligt in het hart van Italië, heeft een omvang van 290 vierkante kilometer en dankt zijn naam aan het kalkmassief dat bijna als een Tafelberg uit het landschap oprijst. Sommigen noemen het Majella-park het Tibet van Italië. Dat is wat overdreven, maar vooral de heftige steenklomp aan de oostkant boezemt ontzag in. Het gebied is bezaaid met kloosters, kapelletjes en kluizenaarshutten (die van San Bartolomeo, beneden in de kloof van San Spirito, is alleen al vanwege de spectaculaire afdaling een juweeltje). En de cappuccino- en espresso-terrasjes in verstrooide dorpjes zijn uiteraard niet te tellen.

De Majella is de laatste uitstulping van de Apennijnen, voordat deze bergketen verdwaald raakt in de Adriatische Zee. De Monte Amaro heeft de hoogste piek van de Majella: 2793 meter. Dat is toch een vette 800 meter klimmen en klauteren vanaf de berghut Brunu Pomilio, waar auto’s niet verder mogen.

En toch stapt een Italiaans echtpaar, dik in de zeventig, met een aanstekelijke blijmoedigheid en een stevig geladen rugzak het pad op dat leidt naar de top van diezelfde Monte Amaro. Het is nog vroeg in de ochtend. De zon straalt, maar de temperatuur zorgt voor een lekker kippenvelletje. Ach, dit doen ze zo vaak. Ze laten het kapelletje aan het begin van het geitenpad ongemoeid. Dat hebben ze niet nodig: zo’n waagstuk is de wandeling nu ook weer niet, vinden ze. Het tempo van de twee ligt laag, maar wat maakt het uit: ze hebben alle tijd. En het zicht op de toppen en flanken van de Majella is majestueus. Al is het niet helemaal helder, maar toch is de zee in de verte te zien. En Pescara, de provinciehoofdstad en badplaats. Nog heel lang is het bejaarde stel op hun scharrel naar boven te volgen.

Je kunt trouwens ook de Monte Cavallo op, met 2171 meter toch ook een leuk bultje. Er is nog aardig wat dennenbos, voordat je over de grijs-grauwe top loopt. Het is geen zware wandeling, en het is ook niet het dak van de wereld, maar een beetje de zolder is het toch wel. In de zomer moet je er drollen van wolven kunnen zien. SNP Wandelreizen, die deze natuurreis voor Trouw-lezers organiseert, heeft het keurig uitgelegd: De uitwerpselen lijken op die van honden, maar ze zijn groter en bevatten vaak haar en botjes. Ook zijn de wolvendrollen in de Majella vaak te herkennen aan de groene of paarse kleur, omdat de dieren in het park ook bessen of groene planten eten. Alleen, de Canis lupus italicus – ruim dertig jaar geleden bijna verdwenen uit de Apennijnen – laat zich op deze tocht niet zien. Z’n poep ook niet.

De aanwezigheid van het dier in het nationaal park maakt van de Majella-reis een extra avontuur. We wandelen, maar zijn ook op zoek naar de wolf. En naar de beer, de ree en de gems: zoogdieren die ook bijna verdwenen waren uit het Italiaanse berggebied.

In 1990 is dankzij het Italiaanse Wereldnatuurfonds een terrein (Area Faunistica) bij Lama dei Peligni afgeheind om de Abruzzengemzen weer in de Majella te introduceren. Door de intensieve jacht en de schapenteelt waren ze gedecimeerd en teruggedrongen in een klein gebiedje. Het project heeft succes. Er springen nu 150 wilde gemzen rond in de Majella. Je moet er de tijd voor nemen (en de stilte), maar dan kun je ze met een verrekijker zien klauteren op de rotsen.

Met de beren ligt dat wat moeilijker. De Abruzzenbeer of Ursus arctos, een ondersoort van de bruine beer, kwam vroeger in heel Italië voor. Honderd jaar geleden leefden alleen in de Abruzzen nog enkele exemplaren. Het tij is gekeerd, de jacht verboden en het dier beschermd. Optimistische schattingen spreken nu van 150 beren, maar veel experts gaan uit van lagere getallen. We waren al gewaarschuwd dat we er waarschijnlijk geen zouden zien. Een heel enkele keer wordt nog een beer met kleintjes gespot. Ze verraden zich door krabsporen op bomen, omgekeerde stenen (ze zoeken insecten) en door hun poep en voetsporen. De dieren verstoppen zich overdag in de bossen en komen pas in het donker in actie. Ze vormen geen bedreiging meer voor de mens, zo wordt van verschillende kanten verzekerd. De enige gevaarlijke Ursus is te zien in het Berenmuseum in Palena, dat deel uitmaakt van een oud klooster. Maar voor de beer en het klooster geldt: zij zijn allebei verleden tijd. De beer is opgezet. En het onderkomen van de monniken is nu een beeldschoon hotel, Casa dell’ Orso, Huis van de Beer.

En dan de wolf. Ook die heeft in de Majella een Area Faunistica gekregen (bij Pretoro), waar hij geen schapen meer kan aanvallen, afval kan plunderen of zich kan kruisen met verwilderde honden. We zien er een paar achter het hek. Ongedurig lopen ze heen en weer, wantrouwig met ogen op steeltjes, schichtig als toeschouwers geluid maken. Het heeft ook iets zieligs, maar volgens de informatie groeit de populatie. Trouwens, je hoort ze soms weer, in de nacht. Huilen, zoals alleen een wolf kan. Het is zijn signaal om zijn aanwezigheid aan te geven.

Er zwerven ook wolven los in het park. Dat geeft toch nog steeds spanning onder de inwoners van het gebied die bij de instelling van het park moeite hadden met de toekomstplannen. Die leggen hen ook beperkingen op. Zo is de bouw van woningen en hotels gelimiteerd en mag er bijna nieuwe weg worden aangelegd. Daar staat tegenover dat je geen dorp kunt passeren of je ziet een natuurmuseum, een botanische tuin of een bezoekerscentrum. Die zijn er om toeristen te trekken, maar ook om de eigen bevolking een beetje ’groener’ te maken – net zo groen als de Majella en de Abruzzen. De inwoners moeten toegeven dat al die milieuvriendelijke plannen meer toeristen naar de streek trekken dan voorheen.

Toch zou deze regio – het hele land trouwens – nog een stuk aantrekkelijker zijn voor de buitenlandse toerist, als Italianen zich ook eens in een vreemde taal zouden willen verdiepen. Er was bijna geen woord Engels of Frans of Duits bij in de Majella. En niet alleen bij de bakker of de kruidenier, ook in de hotels en bij de VVV. De vraag aan de jongedame van het toeristenbureau in Palena om een beetje Engels, werd met een triomfantelijk ’nee’ beantwoord – alsof ze een heldendaad had verricht. En in Palena liggen nog wel de roots van de Amerikaanse zanger met de fluwelen rookstem en vertolker van ’Mona Lisa’, Perry Como. Geen fatsoenlijk boek over de Abruzzen in vertaling gezien, geen folder, vrijwel geen menukaart. En dus geen conversatie, alleen wat oogcontact. Jammer, in zó’n prachtig gebied.

mailIcon print |