*

 

Weer meer oog voor rol van religie door stoken Wilders

Hans Goslinga − 08/09/07, 00:00

De Tweede Kamer heeft vooralsnog geen effectief antwoord op de politieke strijdwijze van Geert Wilders, zodat dit kamerlid donderdag ruim een uur lang in het parlement tegen de islam kon agiteren. Had hij dit buiten op het Plein of de Lange Poten gedaan, dan was hij wellicht opgepakt wegens opruiing of het aanzetten tot haat tegen mensen wegens hun godsdienst. In de vergaderzaal van de Kamer geniet hij parlementaire onschendbaarheid en beschikt hij bovendien over een grote behendigheid zich voor zijn opponenten ongrijpbaar te maken.

Voor een deel dankt hij dat aan zijn ongewone retorische talent. Dat stelt hem in staat debatten naar zijn hand te zetten en met zijn inzet te domineren. Hij weet aanvallen van anderen op gewiekste wijze te pareren en vaak ten gunste van zijn betoog om te buigen. Beknot hij niet de vrijheid van godsdienst met zijn pleidooi de Koran te verbieden? Nee, hij versterkt juist de vrijheid door een boek ‘in de prullenbak te mieteren’ dat mensen belet in vrijheid hun geloof te kiezen. Is zijn interpretatie van de Koran niet dezelfde als die van extremisten en geeft hij hen daarmee niet gelijk? Nee, hij zegt gewoon wat er in ‘dit extremistische boek’ staat.

De pogingen van zijn tegenstanders hem met inconsistenties en ongerijmdheden in zijn betoog te confronteren en daarmee tot debat uit te lokken, haalden dus net zo min iets uit als eerder beproefde strategieën als negeren of vertoon van morele verontwaardiging. Wilders handhaaft, wat anderen ook proberen, een pose van onverstoorbaarheid. Zonder een spier te vertrekken herhaalt hij kwalificaties die volgens de gangbare fatsoensregels, hoezeer ook wortelend in de joods-christelijke traditie waarop hij zich in zijn aanvallen op de islam steeds beroept, niet door de beugel kunnen.

Zijn laatste verdedigingslijn is steeds dat veel mensen in het land, in zijn ogen zelfs een meerderheid, de uiteenlopende verschijningsvormen van de islam, van de hoofddoekjes tot het halalvlees bij Albert Heijn, ‘spuugzat zijn’. Dat biedt hem, zoals hij liet blijken, de rechtvaardiging te constateren dat minister van integratie Vogelaar met haar ‘gekwebbel’ over het perspectief van een joods-christelijke-islamitische cultuur, ook al is daarvan pas sprake over honderd of tweehonderd jaar, aantoont dat ze ‘knettergek’ is geworden.

Deze manier van opereren maakt duidelijk dat hier niet louter sprake is van gewiekstheid waarvoor uit vakmatig oogpunt de pet kan worden afgenomen en evenmin van een slip of the tongue in de hitte van de strijd. Door zich niet aan democratische omgangsregels te houden en degenen die er anders over denken dan hij tot gekken, lafaards en verraders van de Nederlandse cultuur te verklaren, stelt Wilders zich als een buitenstaander op. Hij gebruikt het parlement wel als zeepkist, maar heeft geen boodschap aan collega-kamerleden en laat zich derhalve niets gelegen liggen aan de loyaliteit die onze democratische cultuur draagt, het onderlinge vertrouwen conflicten vreedzaam op te lossen.

In zekere zin volgt die buitenparlementaire opstelling bijna logisch uit zijn exclamatie aan het adres van minister Vogelaar: Uw Nederland is het mijne niet! Het doet denken aan de kraakbeweging uit de jaren tachtig, die als strijdkreet meevoerde ‘Uw rechtsstaat is de onze niet’. Een verschil met die beweging is dat Wilders de stemming van een groter deel van de bevolking vertolkt. Dat is misschien wel de meest overtuigende verklaring waarom hij het politieke debat over de islam kan domineren en, naar het lijkt, met een groeiende omzichtigheid tegemoet wordt getreden.

De traditionele volkspartijen zijn de afgelopen roerige jaren stuk voor stuk kleiner, de flanken groter geworden. Deze tendens zet in de peilingen nog altijd door en maakt het midden nerveus en beducht. De winst van de SP op de linker- en de Partij voor de vrijheid van Wilders op de rechterflank stelt CDA, PvdA en VVD voor een dilemma. Moeten zij, om delen van de bevolking niet van zich te vervreemden en de leegloop te keren, meebuigen met de uitersten of er juist tegenin gaan? Er is nog een derde alternatief, hopen dat de factor tijd in hun voordeel werkt.

Door de onzekerheid van politici over hun rol en positie in de veranderende samenleving is het antwoord niet eenduidig en zien we van alles wat. Maar er komt nog iets bij. In het integratiedebat speelt het de vrijzinnige partijen merkbaar parten dat zij de factor religie de afgelopen veertig jaar louter hebben gezien in het perspectief van onvermijdelijke neergang. Anders dan het CDA kost het hen daarom moeite hun visie op de rol van godsdienst in de samenleving opnieuw te bepalen. De VVD viel in de vorige regeerperiode bijna uiteen door het radicale optreden van Hirsi Ali, de PvdA worstelt nu met de afvallige moslim Jami.

In dit licht was het op zich niet zo vreemd dat Wilders de vrijzinnige partijen vroeg waarom zij ex-moslims nu zoveel omzichtiger bejegenen dan de schrijvers die zich veertig jaar geleden ostentatief van de christelijke kerken losmaakten. Het is begrijpelijk dat deze vraag tot een zekere verlegenheid leidde, maar tegelijk liet de terughoudendheid zien dat er in de politiek weinig behoefte bestaat zich de Kulturkampf van Wilders te laten opdringen. Dat bleek ook uit de geringe politieke steun voor het manifest van het steuncomité voor Jami. Er ontstaat weer meer oog voor religie.

mailIcon print |