*

 

Bagger over je heen

Ruud van Heese − 16/07/07, 00:00

De gang naar de kamer van PvdA-parlementariër Margot Kraneveldt in het oude ministerie van koloniën staat vol bureaus en stoelen. Het doet denken aan de verhuizing, vijf jaar geleden, toen 26 LPF’ers Koloniën opeisten en ze de gehate en gedecimeerde PvdA-fractie uit dit deel van het Kamergebouw verdreven. Kraneveldt was er niet bij. „Ik kwam pas in augustus 2002. De LPF-fractie zat er toen al. Maar ik heb later gehoord dat het inderdaad niet altijd even subtiel is gegaan.”

Kraneveldt (40) stond op een keerpunt in haar leven toen de politieke nazaten van Pim Fortuyn hun debuut maakten in het parlement. Ze was docente Duits geweest, redacteur bij de NOS en Veronica, internationaal hoofdredacteur van het Bruid & Bruidegom Magazine en free lance-eindredacteur. „Ik vroeg me af wat ik verder wilde. Terug naar het onderwijs? Dat de LPF in de Kamer kwam, vond ik interessant. Ik had Fortuyn gevolgd. Ik was het niet in alles met hem eens, maar hij legde wel de vinger op zere plek in het onderwijs en de zorg. Ik solliciteerde als medewerker bij de fractie. Dat ging via een wervings- en selectiebureau. Ja, dat was beter geregeld dan met de selectie van de Tweede-Kamerleden.”

Het was een turbulente tijd. De LPF-fractie en de LPF-ministers in het eerste kabinet-Balkenende waren verwikkeld in persoonlijke conflicten. „De LPF had nauwelijks enige structuur”, aldus Kraneveldt. „Het was pionieren. Wij als medewerkers moesten maar uitzoeken hoe het allemaal werkte. We werden meteen in het diepe gegooid.”

Zelf heeft Kraneveldt nooit rondgelopen met dat sterke anti-Haagse, vooral op de PvdA gerichte sentiment dat veel LPF’ers uitdroegen. Ze is opgegroeid met de sociaal-democratie. „Er werd niet altijd over politiek gepraat. Maar het was thuis PvdA, FNV en Vara. Mijn vader liep wel eens mee met FNV-betogingen en anti-kernwapendemonstraties. Ik hoorde in de familie ook wel dat de PvdA te regentesk was geworden. Maar ik was niet anti-Den Haag, zoals veel LPF’ers. Ik vind het ook te makkelijk gezegd, dat alles onder die Haagse kaasstolp verdwijnt en dat alle politici daar zich doof houden voor wat mensen in het land bezighoudt.”

Dat de LPF inmiddels uit de Kamer is verdwenen heeft de partij aan zichzelf te wijten, vindt Kraneveldt. „De LPF heeft zelf het hout voor de eigen brandstapel aangedragen”, meent ze. Na de verkiezingen van 2003 ging het in de acht leden tellende tweede LPF-fractie aanvankelijk beter. Kraneveldt was van medewerker Kamerlid geworden en hield zich in de fractie bezig met onder meer onderwijs, cultuur, volksgezondheid, emancipatie en technologiebeleid.

„Als LPF-Kamerlid heb ik het eerste jaar vooral geïnvesteerd in vertrouwen”, blikt ze terug. „Ik heb dossierkennis opgebouwd, relaties aangeknoopt met het onderwijsveld en met Kamerleden van andere partijen. Er was veel wantrouwen jegens de LPF. Ik wilde laten zien dat wij niet alleen maar onzin riepen. In de jaren daarna merk je dat dat ook iets oplevert. Zo heb ik met de PvdA een initiatiefwetsvoorstel ingediend (in 2005 wet geworden) dat regelt dat scholen moeten bijdragen aan de integratie van leerlingen in de Nederlandse samenleving.”

Ook de tweede LPF-fractie viel echter uiteen. Bij de laatste verkiezingen nam de kiezer afscheid van de partij. Los van de ruzies waarop een kiezer nooit zit te wachten, was de achterban volgens Kraneveldt ook te weinig coherent om de partij een stevige basis te geven. „Onder de kiezers van de LPF had je mensen die extreem rechts dachten, maar ook mensen die het hart op de juiste plaats hadden. Het was een heel divers electoraat. Te divers. Veel mensen voelden zich alleen maar door een stukje van het gedachtengoed van Pim Fortuyn aangesproken. Ik denk dat iedereen heel selectief heeft gewinkeld in zijn boeken. Dat heb ik misschien zelf ook wel gedaan.”

Bij de PvdA bleef de wijze waarop Kraneveldt in de Kamer opereerde niet onopgemerkt. De sociaal-democraten benaderden haar met de vraag of ze zou willen overstappen. „Ik heb gezegd: Als het ervan komt, doe ik het netjes. Dan stel ik mijn Kamerzetel beschikbaar. Ik wilde me niet schuldig maken aan zetelroof. De PvdA wilde dat trouwens zelf ook niet.” Op 4 juli 2006 trad Kraneveldt daarom terug uit de Kamer, om bij de PvdA-kandidaatstellingscommissie te solliciteren naar een plek op de PvdA-kandidatenlijst.

Haar tamelijk opzienbarende overstap viel niet overal even goed. „Op veel websites heb ik een hoop bagger over me heen gehad”, zegt ze. „Maar er zijn ook LPF’ers geweest die me lieten weten dat ze het wel begrepen. De reacties in de PvdA waren veelal neutraal tot positief, maar ook daar heb ik kritiek gekregen. Maar de mensen die me goed kenden vonden mijn overstap heel logisch.”

Met een 36ste plek (de PvdA haalde 33 zetels) moest ze wachten op de afloop van de kabinetsformatie voor ze op 1 maart weer in de Kamerbankjes kon plaatsnemen. Een wereld van verschil met de kleine LPF-fractie, ondervond ze. „Ik heb nu een minder brede portefeuille, zodat ik meer de diepte in kan. En in de PvdA kun je terugvallen op een schat aan kennis bij werkgroepen, instituten, wethouders en raadsleden. Die worteling in de samenleving had de LPF niet. Het belang daarvan moet je niet onderschatten.”

Wel heeft de LPF invloed gehad, vindt ze. „Het is misschien moeilijk aan te tonen. Maar ik denk dat ook in de PvdA nu anders wordt gepraat over bijvoorbeeld jongeren die overlast veroorzaken. Zeker, er zijn mensen die redeneren: zo, dat met die LPF hebben we gehad, we gaan weer op de oude voet verder. Maar er zijn er ook die zeggen: nee, zulke problemen moet je benoemen. En we moeten het niet alleen maar over preventie hebben.”

Als PvdA-Kamerlid heeft ze vooral te maken met haar fractiegenoten Staf Depla, Marjet Hamer en Marianne Besselink, en met de onderwijswoordvoerders van de coalitieparners CDA en ChristenUnie, Jan Jacob van Dijk en Arie Slob. Met Charlie Aptroot van de VVD heeft ze een goede band, net zoals ze gesteld is op Jules Kortenhorst van het CDA (’een heel slimme vent’) en Ineke van Gent van GroenLinks (’een geweldig leuk mens’).

PVV-voorman Geert Wilders wordt wel gezien als één van de erfgenamen van Fortuyn. „Hij mocht willen dat hij dat was”, aldus Kraneveldt. „Fortuyn zou zich in zijn graf omdraaien, als hij Wilders zou horen.”

mailIcon print |