amsterdam – De onderwijsvernieuwingen van de jaren negentig hebben tot nu toe ongeveer 2,2 miljard euro gekost. Dat geld komt boven op de gewone bedragen die al voor het voortgezet onderwijs op de begroting stonden. Bij elk van die vernieuwingen ging het ministerie van onderwijs er aanvankelijk van uit dat ze geen extra geld zouden kosten. Voor deze uitgaven waren 133 regelingen nodig, waarvan bijna de helft betrekking had op het vmbo.
De omvang van dit bedrag is boven tafel gehaald door de Algemene Rekenkamer. Zij deed dat in opdracht van de parlementaire commissie die de onderwijsvernieuwingen onder de loep neemt. Het gaat om drie grote veranderingen in het onderwijsstelsel: de basisvorming, de vorming van het vmbo en de tweede fase in havo en vwo.
Steeds kwam het ministerie van onderwijs pas met geld over de brug als de scholen erover klaagden dat de vernieuwing niet zonder extra geld tot stand gebracht kon worden. Zo had het invoeringsplan vmbo niet eens een hoofdstukje over financiƫn, stelt de Rekenkamer verbaasd vast.
De omvang van de bedragen die de scholen vervolgens alsnog kregen, waren niet afhankelijk van een goede berekening van wat er precies nodig was. Die bedragen werden vooral bepaald door de ruimte die het onderwijsministerie toevallig op zijn begroting wist te vinden.
Scholen wisten door dit ad-hocbeleid van het ministerie vaak niet waar ze aan toe waren. Daardoor was het voor hen lastig om een goed financieel beleid te voeren. „Een planmatiger aanpak verdient aanbeveling”, adviseert de Rekenkamer dan ook droog.
Het is overigens lang niet altijd duidelijk waaraan de scholen de 2,2 miljard extra hebben besteed. Van slechts ruim een kwart daarvan bestaat er ’een zekere waarborg’ dat het inderdaad is opgegaan aan de kosten van onderwijsvernieuwingen, stelt de Rekenkamer. Maar dat geldt niet voor de rest. Daarvan mochten scholen namelijk zelf bepalen hoe zij het uitgaven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.