Mijn buurman was, net als ik, ooit katholiek, maar is nu reeds lang met pensioen in dat opzicht.
Ik was dan ook enigszins verrast door de warmte waarmee hij sprak over het pauselijk bezoek aan BraziliĆ«. De bron van deze troebele vreugde werd mij spoedig duidelijk toen hij mij vertelde over de pauselijke heiligverklaring tijdens dat bezoek. „Da’s nog eens transcendentie, en niet dat benauwde eenrichtingsverkeer van Boven naar Beneden, of die platvloerse Kuitert-variant van Beneden naar Beneden, nee dit gaat om ascenderende transcendentie, van Beneden naar Boven. Beneditto verzet gewoon een aantal stoelen aan gene zijde en besluit wie daar in mag gaan zitten.”
Ik vond de consequentheid waarmee hier werd vastgehouden aan het middeleeuwse wereldbeeld ook nogal kras, of moet je zeggen idioot?
Maar buurman had nog meer te melden. De heiligverklaring betrof een monnik met de naam Galvão die zieken genas volgens een methode waar ik nog niet eerder van gehoord had. Broeder Galvão schreef een kort gebed op een stukje papier, kauwde dat tot een pilletje en gaf deze pil vervolgens aan de patiĆ«nt. En deze man werd in 2007 heiligverklaard.
„Ik zweer het je”, sprak buurman, „en dit zijn allemaal volwassen mensen, ze lopen vrij rond, lagere school helemaal afgemaakt, vaak ook nog vervolgonderwijs en wie zei dat de Kerk geen bron van vreugde meer was?”
Wij waren evenwel gauw uitgelachen, want ik had liever dat de katholieke kerk echt voorbij was zodat je rustig naar de laatste rustplaats toe zou kunnen om daar wat te mijmeren over een voorbije wereld, zoals dat bijvoorbeeld mogelijk is rond het boerenleven in Nederland van kort na de oorlog. Maar wat sterft die Kerk toch beroerd, en ik bedoel niet alleen het tempo. Al heb je in jezelf reeds lang een fraai en goed verzorgd graf voor het instituut geregeld, het ding blijft rondspoken in de wereld en wordt er niet mooier op, want dat doen stervenden zelden.
De stervende kerk wordt nog wel gebruikt voor gestorvenen, en nu we het toch over voorbijgaan hadden vertelde buurman over een begrafenis die hij onlangs bijwoonde. De overledene was 101 jaar oud, en bij leven en welzijn een even toegewijde als inventieve meubelmaker. Het geboden ritueel was een in de ogen van de dode onherkenbaar verminkte rouwmis, tijdens welke het Dies Irae angstvallig vermeden werd. „Je kent dat tutoyerende sfeertje wel”, zei buurman, „waarin God een sympathieke milieubeschermer is die in weerwil van het broeikaseffect voor de dode toch iets leuks heeft weten te regelen aan de overzijde.”
Tijdens de koffie met broodjes na afloop in het dorpshuis raakte hij in gesprek met kinderen, die hij nog kende van vroeger toen ze in dezelfde straat woonden, kleinkinderen, over wiens bestaan hij slechts vage inlichtingen had, en achterkleinkinderen van wie hij nooit vermoedde dat zij er al waren. Die achterkleinkinderen had hij het liefst gezien als huilende baby’s, maar ook daar zaten alweer een paar midtwintigers onder. Het duizelde hem even. Mensen zeggen graag ‘het leven gaat door’, maar zo verpletterend hoefde dat wat hem betreft niet aangetoond te worden. Want, zo was zijn gedachte, „met elk achterkleinkind raken wij verder weggestopt in het museum van Voorgoed Voorbije Dingen.”
Hoewel, museum? Hij vroeg aan een van de achterkleinkinderen of ze wist wat haar overgrootvader voor de kost deed. Ze weifelde en kwam toen met de veronderstelling: „Was hij geen timmerman of zoiets? Of nee, hij zat in de bouw geloof ik.”
Hij schrok, want het voelde alsof hij met zijn eigen achterkleinkind stond te praten, een kind dat nu een schim is die waarschijnlijk pas rond 2055 goed om zich heen zal kijken, maar dan zal buurman op zijn beurt reeds lang tot het schimmenstadium zijn ingegaan, want hij begint de zeventig te naderen.
In 1885 schreef Emily Dickinson in een brief:
’Het is behaaglijk te weten dat wij tijdelijk blijvend zijn, hoewel, meer weten we niet.’
Wat zij bedoelde is denk ik dat we blij moeten zijn met die korte tijd in ons leven waarin we het gevoel hebben nooit te zullen sterven. Het idee dat we blijvend zijn duurt maar tijdelijk. Hoewel ik het tijdelijke van deze permanentie niet als erg behaaglijk kan zien, is het nog onbehaaglijker helemaal nooit te hebben geleefd met de gedachte dat je niet zult eindigen.
Thuisgekomen viel mijn oog op de scheerdoos van mijn vader. Er zit nog een stukje zeep in en een scheerborstel, een verfkwast uit zijn eigen werkplaats waar hij onder het motto ‘armoe zoekt list’ de steel vanaf heeft gezaagd. Wij kinderen hebben na zijn dood nog geloot om die doos en ik was maar wat blij toen hij mij ten deel viel. Gered uit de brand, denk je dan.
Ik zie mijn kinderen er straks mee in hun handen staan. ‘Wat is dit voor vies bruin kistje?’, waarna ze het fluks zullen teruggooien in het vuur waar ik het zo ijverig uit haalde.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.