*

 

Een democratie zonder partijen is een schrikbeeld

Hans Goslinga − 19/05/07, 00:00

Er was ooit een PvdA-voorzitter, Ien van den Heuvel, die in de rooksalon van de Tweede Kamer een geestverwant kamerlid het bevel gaf zich onmiddellijk uit het gezelschap van enkele christen-democraten te verwijderen. ’Je hóórt niet bij die lui te zitten! Wég!’ Dat was nog voor de tijd dat een andere voorzitter van de PvdA, Max van den Berg, de stoot gaf tot de val van een kabinet waaraan zijn partij meedeed. De twee gebeurtenissen, spelend eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, laten zien hoe machtig de partijvoorzitter in die dagen nog was. Nu heeft deze figuur nog net voldoende gewicht om in tijden van nood als adequaat zoenoffer te dienen, zoals het lot van PvdA-voorzitter Van Hulten onlangs illustreerde.

Van Hulten verdween na de verkiezingsnederlaag vrijwel geruisloos in de coulissen op het moment dat de kritiek losbarstte. Hij kent vele lotgenoten, niet alleen in eigen huis maar ook in andere partijen. Het statusverlies van de verenigingsvoorzitter geeft scherp aan hoezeer de macht in partijen in betrekkelijk korte tijd is verschoven en zich heeft opgehoopt bij de politieke leider en diens, doorgaans kleine, kring van vertrouwelingen.

In de praktijk is de lijsttrekker zich als een partijleider gaan gedragen, aan wie alle geledingen ondergeschikt zijn. Die tendens is nog versterkt sinds de verenigingsleden de lijsttrekker rechtstreeks kunnen kiezen. Wouter Bos meende dat het ledenmandaat, dat hij eind 2002 verwierf, hem zoveel macht opleverde dat hij de gedachte kon opperen de partij op te heffen en een nieuwe te beginnen. Dat voorbeeld laat indringend zien hoe paradoxaal de uitwerking van directe democratie kan zijn.

De nog altijd invloedrijke christen-democraat Hans Hillen opperde enkele jaren terug de gegroeide praktijk te formaliseren en naar Duits voorbeeld het politieke aanvoerderschap en het voorzitterschap in één hand te brengen. Maar Balkenende vond dat niet nodig, hij heeft zich de niet bestaande titel van partijleider op een achternamiddag gewoon toegeëigend.

In de SP, de derde partij van het land, is dit Duitse model wel geformaliseerd. Jan Marijnissen is al sinds 1988 zowel politiek aanvoerder als partijvoorzitter. De minstens zo machtige Tiny Kox zit al meer dan een kwarteeuw in het partijbestuur.

Beide mannen hebben hun schare al die jaren met straffe hand geleid. Tegenspraak en kritiek, laat staan wanklanken, drongen nimmer tot de buitenwereld door. Dat zal zonder twijfel veranderen nu de partij een groeistuip doormaakt en plotseling blootstaat aan ongekende krachten. Het openlijke protest dat Marijnissen onlangs in zijn achterban opriep door in de nationaliteitenkwestie richting Wilders op te schuiven was daarvan een voorproefje.

Een van de krachten die op de vergrote SP zal inwerken is de angst de veroverde positie weer te verliezen. Deze angst is zo sterk dat politici altijd weer snel geneigd zijn de essentie van democratie uit het oog te verliezen, de noodzaak tegenover macht tegenmacht te organiseren. Liever dan dat smeden ze hun partijen tot ’geoliede machines’ in dienst van de lijsttrekker, onderdrukken ze tegenspraak, trekken ze ja-knikkers aan en kweken ze slavenzielen.

Hoewel de gevolgen van deze cultuur rampzalig zijn, zoals het CDA in 1994 en de PvdA en de VVD in 2002 hebben ondervonden, herhaalt de geschiedenis zich keer op keer. Dat dwingt tot de conclusie dat een democratische cultuur, behalve een basis om op vreedzame wijze conflicten te beslechten, een nuttige compensatie van het menselijk tekort is. Er is dus alle reden de verhouding tussen de beroepspolitici en de partijleden in dit perspectief opnieuw kritisch te bezien.

In de dagen van Ien van den Heuvel en Max van den Berg was onder invloed van de democratiseringsdrift de macht te veel naar ’de basis’ verschoven.

Het gevolg was dat PvdA-aanvoerder Den Uyl er niet in slaagde in lijn met de verkiezingsuitslag een tweede kabinet onder zijn naam tot stand te brengen. Nadien is de slinger de andere kant op gegaan en is het machtsevenwicht andermaal verstoord, zodanig dat Van Hulten, met voorbijgaan aan zijn positie als gemandateerde stem van de leden, het hazepad koos.

Het is waar dat de politieke partijen in de afgelopen decennia leden- en functieverlies hebben geleden. Dit is echter zo dikwijls beklemtoond dat zij ongewild hun weg gaan in het perspectief van een kennelijk onvermijdelijke neergang. Daardoor wordt misschien het eenvoudige feit over het hoofd gezien dat ze er zijn en nog altijd vorm en inhoud aan de politiek geven, zelfs in turbulente tijden. De aanstichters van de turbulentie zijn alweer van het toneel verdwenen, onmachtig tot enige creativiteit en ambachtelijkheid; de gevestigde partijen zijn er nog, met hun structuur, geschiedenis en cultuur.

In dit licht had Van Hulten niet zo gemakkelijk de pijp aan Maarten mogen geven. Een democratie zonder partijen is moeilijk voorstelbaar; zij geven gezicht en geur aan de politiek. De democraat Alexander Pechtold omschreef de samenleving vorige week op het congres van zijn partij als ’een som van individuen’. Het is een zienswijze die te verklaren valt uit de behoefte van de D66-aanvoerder zich tegenover dit ’samen-kabinet’ te profileren. Als basis voor het organiseren van de democratie en het onderhouden van een democratische cultuur biedt deze radicale visie weinig houvast.

Een partijloze democratie is nog nimmer ergens beproefd. Verstandiger is het, de bestaande partijen te herwaarderen, zodat zij in ons democratische bestel weer als intermediair en tegenmacht kunnen functioneren.

mailIcon print |