God is dood. Allang. Zeggen ze. Neemt niet weg dat we stiekem blijven geloven. Want we kunnen niet anders. Daarom hebben we God herdoopt tot Mysterie. Tot Geheim. Tot Iets. Alleen de persoonlijke God, die lijkt dood te blijven.
’God is op geen enkele manier te beschrijven, overstijgt al ons gestamel. We gebruiken woorden en beelden uit onze werkelijkheid, we hebben geen andere. Dat is geen probleem, zolang we maar beseffen dat we hoogstens naar God kunnen verwijzen, en niet in onze eigen beelden gaan geloven.
Gregorius van Nazianze (vierde eeuw) zegt:
O Gij, alles voorbij,
Hoe anders U te noemen?
Hoe kunnen woorden U prijzen:
Gij die door geen woord te zeggen zijt.
Maar even later zegt hij:
Al wat spreekt en al wat niet spreekt
prijst U.’
Dat is precies de paradox, waar je telkens tegenaan loopt.’’
Wat moeten we met zo’n paradox?
„Daar kom je niet uit, dat kan ook niet, maar dat hindert niet. Ik kan het gewoon niet laten God aan te spreken. Hij trekt aan mij, voortdurend. Maar als ik consequent ben, zeg ik: ook dat is al een uitspraak over God. Zo is het van mij uit gezien.
God is de Ander, de volstrekt Andere, die op ons toe komt, ons overkomt op Zijn wijze. Hij breekt alle beelden af, die we van Hem zouden kunnen hebben.’’
Hij past niet in onze kaders.
„Godzijdank niet. Wij kunnen Hem op geen enkele manier bezitten. Dat zou Hem tot een afgod maken, tot iets ’van mij’. Hij is niet van mij. Hij wordt nooit van mij. Steeds weer opnieuw staan we met lege handen vóór Hem.’’
Is er dan niets waar we ons aan vast zouden kunnen houden?
„Nee, en ook niets, waar we op terug zouden kunnen vallen. Ook niet de weg van gebed, die we misschien tot nu toe gegaan zijn. Die wordt nooit van ons. Als wij dát zouden denken, lijkt het of wij iets bereikt zouden hebben. Alsof die weg een project van ons is, dat wij zouden kunnen sturen, plannen, in de hand hebben. Dat is niet zo.
Altijd sta je weer aan het begin. Alles wordt je gegeven.’’
Daarom looft u God.
„Ja, en als ik dat doe, spreek ik Hem aan. Of Haar, of Het.’’
Die verschillen doen er niets toe?
„Het zijn alleen maar mijn woorden. Die zijn op zich niet belangrijk. Belangrijk is, dat ik op Hem gericht ben. En zelfs dát doe ik niet zelf. Hij trekt aan mij. Hij richt mij op Hem. En weer zou ik eigenlijk moeten zeggen: zo ervaar ik dat.’’
Hoe?
„In alle religieuze tradities bestaan er vormen van altijddurend gebed. Bijvoorbeeld door Gods naam te zingen, gewoon in het dagelijks leven, op de fiets, onder de afwas. En dan spreek je Hem aan met de naam die jou op dat moment te binnen valt, of die jou allang vertrouwd is. Dat opent je heel sterk voor Zijn aanwezigheid, in het leven van elke dag. Op den duur wordt dat daar totaal door gekleurd, wat er verder ook aan de hand is.’’
Dat doet u zelf ook?
„Ja, al heel lang.’’
Van jongs af aan?
„Als kind had ik al heel sterk het gevoel dat God aan mij trok.
Bij ons thuis werd niet gebeden, dat miste ik. Later, toen ik studeerde, heb ik zelf een weg van gebed gezocht. Ik kwam uit bij een manier van bidden met veel stilte. Vanaf het begin had ik de ervaring dat God zich in mij uitstortte als in een schaal die zelf steeds dunner werd. Ervaringen van eenheid met God. Ongelooflijk vreugdevol.
Toen ik twintig was kreeg ik een ongeluk, waardoor mijn nek beschadigd raakte. Ik had periodes met erg veel pijn, soms was ik echt wanhopig en wist ik niet hoe het nou verder moest met mij. Maar juist in die tijden werd ik enorm naar God toe getrokken en kwam ik tot volkomen overgave aan Hem. Ik voelde dat Hij de kern was van mijn leven. Alle franje viel weg, daar had ik ook geen energie meer voor.
Maar als het dan wat beter ging, nam ik zelf mijn leven weer in handen. Ik ben zoals veel mensen nogal beïnvloed door het autonomie-denken.’’
Het idee dat je zelf je leven kunt ’maken’.
„Ja. En dat is een illusie, die alleen al onze kwetsbaarheid totaal ontkent.
Ik durfde me dus toch niet echt aan God over te geven, om me door Hem te laten leiden. Het gevolg was een steeds groter gevoel van gespletenheid en onmacht. Een impasse waar ik zelf niet uit kon komen.’’
En toen?
„In 2002 ben ik gescheiden. Dat heeft me erg overvallen. Ik kwam in een crisis terecht. Het gevoel dat alles wat ik bij elkaar had proberen te houden, was ingestort.
Terwijl ik door de gang van mijn ziekenhuis liep, had ik plotseling de ervaring alsof ik in een luchtledige ruimte viel. Eindeloos diep.
De eerste seconde was er angst, probeerde ik me ergens aan vast te houden. Daarna kwam een gevoel van bevrijding, ultieme vrijheid. Het besef: er is alleen maar het Nu, dit ene moment. Er is niets in de buitenwereld waar ik me aan vast kan houden. Ik hoef dat dus ook niet langer te proberen. Er is geen enkele zekerheid. Niets is van mij, in die zin dat ik erop kan rekenen.’’
En God?
„Op 1 januari 2003 zat ik aan de keukentafel om mijn kerkdienst voor te bereiden voor Epifanie, de doop in de Jordaan.
Plotseling werd ik overvallen door een ervaring van eenheid met God die mij totaal overweldigde. Vreugde, vrede, tranen. Naarmate die ervaring voortduurde, was ik er zelf steeds minder. Alleen God was er nog.
Toen ik weer tot mezelf kwam, heb ik tegen God gezegd: ’Ga nu Je gang maar. Doe maar met mij wat Je wilt.’ Ik wist: dit is mijn bestemming. Alle reserve was weg. Het was ook niet meer ’mijn’ leven.’’
En nu?
„Tja, je blijft natuurlijk een mens, zolang je leeft. Die neiging zelf de dingen in de hand te willen hebben, steekt echt wel weer de kop op. Maar dan word ik wel teruggefloten door het leven zelf, door een periode met veel pijn bijvoorbeeld. Die pijn, die machteloosheid, die zijn natuurlijk niet mijn keus. Maar ze brengen me steeds weer tot overgave aan God. Zo leidt alles wat er gebeurt mij tot Hem, wat het ook is. Alles brengt mij in Zijn armen.’’
Begrijp ik het goed dat uw perspectief verschoven is?
„Ja, totaal. Het besef van eenheid met God is nu de basis van mijn leven. Dat besef van eenheid gaat nooit meer weg.’’
Hoe stel ik me dat besef voor?
„Als een innerlijk weten, dat er altijd al was. Maar pas de laatste jaren is dat volledig doorgebroken en mijn leven gaan bepalen.
Er valt mij nu een regel van Gerrit Achterberg in: ’De mens is voor een tijd een plaats van God’. Prachtig.
God uit zich in alles. Hij is de kern van alles. Van een vliegje, een regendruppel, jou, mij. Wij zijn een vorm, waarin Hij zich uit.’’
Die vorm vergaat wel.
„Ja. God blijft over en uit zich voortdurend in nieuwe vormen. Maar in ons wezen zijn wij één met Hem. Daarom is er ook geen geboorte en geen dood. Alleen de vorm wordt geboren en sterft.’’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.