Met de economische groei bereikt ook de moderne slavernij het noorden van Irak. Aziaten worden geronseld om te werken voor een hongerloon.
„We verdienen zesenhalve dollar per dag en ons contract loopt pas over anderhalf jaar af.”
Ramg Bauwhi (40), in een wit streepjesoverhemd met een geel petje, komt uit de Indiase stad Lagnawi. Daar wachten zijn zes kinderen op zijn salaris. „Tot het einde van mijn contract kan ik niet naar huis terug”, zegt hij met een diepe zucht.
Bauwhi is een slachtoffer van moderne slavernij, maar op een wat ongewone plek: de Noord-Iraakse stad Irbil. Hem werd verteld dat hij in de rijke Golfstaat Doebai ging werken, toen hij een jaarcontract tekende met een Libanees bemiddelingsbedrijf.
Hetzelfde geldt voor Dermanden (22) uit het Indiase Asisi, waar hij vrouw en zoon achterliet. Dermanden klaagt over het Koerdische voedsel in Irbil, de slechte huisvesting en het lage salaris. Als zijn Arabische collega’s tegen hem zeggen: „Irbil is mooi”, moppert hij: „Doebai, Doebai.”
„Ik kwam met de bedoeling in Doebai te gaan werken en weet niet waarom ik hier ben beland”, klaagt Rawi Tellewel (27). De donkere, korte man is nog niet getrouwd en was metselaar in Madras.
De komst van de Aziaten naar Irbil is niet alleen voor henzelf, maar ook voor anderen omstreden. Zo klaagt de Koerdische handelaar Serdar Raoef (45) over het feit dat de Indiase arbeiders geen uitgebreid medisch onderzoek hebben ondergaan. Volgens Raoef, die drie jaar in Doebai heeft gewoond, bleek daar ’dat de meeste Indiërs dragers van enge ziektes zijn’. Daarom vindt hij dat ze uitgebreid moeten worden onderzocht en alleen naar Koerdistan mogen komen als dat strikt noodzakelijk is.
Volgens een anonieme bron bij het ministerie van maatschappelijke zaken in Irbil is de enige voorwaarde voor de komst van buitenlandse arbeiders nou juist, dat ze voor binnenkomst in Irak een medisch onderzoek moeten ondergaan. Deze bron zegt dat de arbeiders niet door de Koerdische overheid naar Irbil zijn gehaald, maar door particulieren en buitenlandse bedrijven.
Eén daarvan is het Libanese ICC, waarvan George Abdulrahim directeur is. Hij zegt met 52 Indiase arbeiders een contract te hebben afgesloten. „Zij werken in Dreamland, een complex van flats en in de bazaar in het centrum van Irbil.”
Abdulrahim heeft een wat vage verklaring voor het feit dat de Indiërs naar Doebai dachten te gaan. „India laat haar burgers niet naar Irak gaan om te werken. Wie bij ons bedrijf werkt, is door ons op een speciale manier hier naartoe gehaald.”
Een Koerdische medewerker van ICC is minder vaag. Omdat de Indiase regering de arbeiders heeft verboden in het gewelddadige Irak te gaan werken, is hen verteld dat ze naar Doebai zouden gaan, zegt hij. Volgens hem meenden ze tot het moment dat ze in Irbil aankwamen, dat ze naar Doebai gingen.
„Omdat ze daar boos over waren, zijn ze in het begin een maand in staking gegaan. Maar omdat het bedrijf weigerde ze terug te sturen, waren ze gedwongen voor een bedrag van zes tot zeven dollar per dag te werken.”
Hoeveel Aziaten op deze manier naar Noord-Irak zijn gehaald is onduidelijk, maar ze werken naast de bouw en winkels ook in hotels en restaurants.
Alkoerd (20), een arbeider uit Irbil die sinds enige tijd met de Indiërs in Dreamland werkt, beschrijft ze als trouwe en onschuldige mensen. Omdat het bestuur van ICC uit Libanon komt, „is het dagloon van de Libanese arbeiders hoger dan dat van de Indiërs”, zegt hij verontwaardigd. „En daarom pesten de Libanezen de Indiërs ook.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.