*

 

’Ieder moet staan voor wat hij doet’

Sebastien Valkenberg − 01/12/07, 00:00

De Britse psychiater Theodore Dalrymple brengt bij Nederlandse ministers zijn boodschap aan de man. Dat daders geen slachtoffers zijn. Dat de ene cultuur niet evenveel waard is als de andere. Dat we leven in een gevaarlijk ’eeuwig heden’. „Het is vreselijk: Ik ben de begunstigde van twee moorden.”

Toen Theodore Dalrymple tien jaar geleden het idee kreeg voor ’De filantroop’ werkte hij als psychiater in een gevangenis in Birmingham. Hij schreef het boek in één maand tijdens een verblijf in Mexico.

Het is geschreven vanuit het perspectief van de seriemoordenaar Graham Underwood uit Eastham. ’Het monster van Eastham’, zoals hij genoemd wordt in de media, zit in de gevangenis wegens de moord op vijftien mensen. Hun lichamen heeft hij begraven in zijn achtertuin.

Underwood wordt niet gehinderd door enige wroeging. Sterker, hij meent dat we hem dankbaar moeten zijn in plaats van hem te veroordelen.

De Britse moordenaar gaat te werk als een echte sofist, die net zolang redeneert en argumenteert totdat hij zijn eigen onschuld heeft ’bewezen’ – en de schuld van de lezer. Hij wijst op de verzachtende omstandigheden van een slechte jeugd. Als vleeseters hebben wij zelf ook vele moorden op ons geweten – hij is tenminste vegetariër. Hebben filosofen trouwens niet altijd betoogd dat de dood een bevrijding van het aardse tranendal is? Dat maakt hem tot weldoener van zijn slachtoffers.

Heeft Dalrymple genoten van het schrijven van dit boek vol listige omkeringen?

Dalrynple grijnst: „I enjoyed it immensely.” Het was een geweldige mogelijkheid de dominante progressieve moraal op de hak te nemen, die misdaden en wangedrag al te gemakkelijk terugbrengt tot het resultaat van maatschappelijk achterstelling.

Een satire zit de werkelijkheid dicht op de huid. Dat het omgekeerde zou gebeuren had Dalrymple nooit kunnen bedenken. Twee jaar na ’De filantroop’ verschenen de memoires van Ian Brady. In de jaren zestig ontvoerde, martelde en vermoordde Brady vijf kinderen. Hun lichamen begroef hij in de Saddleworth Moors.

Decennia na de Moors Murders betoont Brady nog steeds geen greintje berouw. „De toon van zijn memoires”, zegt Dalrymple, „was precies als dit”. Hij wijst op zijn eigen boek.

Toen dat tien jaar geleden verscheen, kreeg het goede recensies, herinnert Dalrymple zich. Het werd prima verkocht in Engeland. „Maar dat was het wel zo’n beetje. Daarna werd het vergeten.”

Nu wordt het boek een decennium na dato in het Nederlands uitgegeven. Hoe verklaart hij deze plotselinge belangstelling voor zijn werk in ons land? Wat is er veranderd dat er nu pas ruimte is voor zijn kritiek op het progressieve gedachtegoed?

De wereld zelf is niet anders geworden, benadrukt Dalrymple, maar „onze perceptie van de wereld. We zien nu dingen die er tien jaar geleden ook al te zien waren.” Maar hij geeft toe dat de recente Nederlandse geschiedenis een rol heeft gespeeld in zijn huidige populariteit. „Het is iets vreselijks maar in zekere zin ben ik de begunstigde van twee moorden.” Hij doelt op de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. „Als die niet waren gebeurd, zou ik hier vermoedelijk geen impact hebben gehad. Dramatische gebeurtenissen veranderen het wereldbeeld van mensen. Het zorgt ervoor dat ze hun vooronderstellingen over de wereld onderzoeken.”

Feit is dat die moorden hebben plaatsgevonden. Sindsdien is de auteur van maatschappijkritische bestsellers als ’Leven aan de onderkant’ en ’Beschaving, of wat ervan over is’ niet meer weg te denken uit het publieke debat. Hij levert wekelijks een bijdrage aan het conservatieve opinieblad Opinio.

Ook Den Haag heeft hem ontdekt. Nederlandse politici verwijzen graag naar zijn aanval op het hedendaagse cultuurrelativisme en zijn appèl tot meer eigen verantwoordelijkheid. Bij anderen roept deze boodschap aversie op. In zijn columns trekt Marcel van Dam regelmatig ten strijde tegen Dalrymple¿s overtuiging dat de verzorgingsstaat mensen te zeer doet berusten in hun lot.

Critici plaatsen hem aan de rechterkant van het politieke spectrum. Hij zou een reactionair zijn die terugverlangt naar de jaren vijftig. Of een misantroop met een sombere visie op de mens.

Dalrymple ageert tegen zulke pogingen hem in zo’n eenvoudig schema onder te brengen. „Ben je links? Of ben je rechts? Alsof elke vraag beantwoord kan worden met een verwijzing naar een punt op een eendimensionale schaal. Zodra je dat punt hebt gevonden, weet je wat iemand overal van vindt.”

Hoe zou hij zijn eigen intellectuele positie typeren?

Hij laat een korte stilte vallen en denkt na. „Ik zou zeggen dat ik een conservatief ben in die zin dat ik behoud net zo belangrijk vind als ontwikkeling. Je moet je realiseren dat je deel uitmaakt van een historisch continuüm. Als je je op geen enkele manier verbonden voelt met het verleden, waarom zou iemand in de toekomst zich verbonden voelen met jou?”

Theodore Dalrymple constateert dat het slecht gesteld is met ons historisch besef. „Als ze ernaar gevraagd worden weten jongeren nauwelijks een prime minister te noemen behalve de zittende premier. De verklaring die ze daarvoor geven is: toen was ik nog niet geboren.” Traditionele instituties die ons verbonden met de geschiedenis, zoals religie, vaderlandsliefde en het gezin, zijn gestaag afgebrokkeld.

Het resultaat is dat velen leven in wat Dalrymple een ’eeuwig heden’ noemt. „Men neigt ernaar vooruitgang, verandering en het heden voor lief te nemen, alsof die zaken er altijd zijn geweest. En dat is een erg gevaarlijke geestestoestand.”

Door de verdwijning van allerlei vormen van ’transcendentie’ – waarmee hij doelt op datgene wat het alledaagse leven overstijgt – raken mensen enorm gefocust op zichzelf. Alle zingeving komt te rusten op de schouders van het individu. We zijn obsessief met onszelf bezig, helaas zonder dat dit gepaard gaat met contemplatie en geduldige vormgeving van ons eigen bestaan. „Als alles wat je hebt het huidige ogenblik is, dan moet je dat moment zo dramatisch mogelijk maken.”

Een karakteristiek van de hedendaagse psychologie van het moment, aldus Dalrymple, is ’zelfabsorptie zonder zelfonderzoek’. „Dus je ondervraagt jezelf niet – maar je wordt helemaal door jezelf in beslag genomen.”

Deze tendens heeft zorgwekkende consequenties voor de manier waarop we moraal benaderen. Het gebrek aan introspectie manifesteert zich als blindheid voor het feit ’dat de zonde in de mens zelf’ zit. Het slechte wordt toegeschreven aan misstanden in de samenleving, zoals armoede of de omgang met verkeerde vrienden.

Daarmee zijn we terug bij de aanleiding voor dit vraaggesprek: ’De filantroop’. Graham Underwood, de hoofdpersoon van het boek, is de vertegenwoordiger par excellence van deze overtuiging.

Dalrymple: „Wat ik in dit boek zeg, is dat zijn morele bekommernis groter blijkt naarmate het probleem verder weg van hem is. En dat is typerend voor deze tijd. Mensen zijn veel bezorgder over problemen als armoede in de wereld dan over de vraag of ze zich netjes gedragen tegenover hun buren.

Zo relativeren ze hun eigen hufterige gedrag als ze daarop worden aangesproken: ’Waar maak je je druk om? Twee miljoen mensen sterven van de honger in Soedan!”’

De outsourcing van de eigen verantwoordelijkheid doet zich ook op andere manieren gelden. Dalrymple signaleert een ontwikkeling die het best getypeerd kan worden als ’medicalisering van ons zielenleven’. „In Engeland wordt tegenwoordig het woord ’ongelukkig’ bijna nooit gebruikt. Het woord ’depressie’ is daarvoor in de plaats gekomen.”

Over deze verandering in betekenis moeten we niet te lichtzinnig denken. Dalrymple: „Dit is een heel belangrijke semantische verschuiving omdat depressie een ziekte is. Ongeluk wordt dus een ziekte. En als je ziek bent, is het aan een arts om je beter te maken.’

Theodore Dalrymple weet waarover hij spreekt. Als gevangenispsychiater heeft hij meegemaakt hoe misdadigers in de eerste plaats werden benaderd als patiënt. Toen al probeerde hij hen erop te wijzen dat ze zelf schuld droegen voor hun daden.

Eigenlijk is zijn literaire loopbaan een voorzetting van die in het gevangeniswezen met andere middelen. De volgende pennenvrucht dient zich alweer aan. „Ik heb net een ander boekje geschreven, weer een satire”, verklapt Dalrymple. „Het gaat over een hypochonder die meent dat alles draait om het behoud van het leven: voordat je iets doet moet je je gezondheid veilig hebben gesteld. Zo wordt alles een vreselijk dilemma. De vraag welke zeep je moet gebruiken, wordt een totale obsessie.”

mailIcon print |