*

 

Een Heer, een geloof, een doop

Lodewijk Dros − 10/12/07, 00:00

Bekende en minder bekende Nederlanders kiezen hun persoonlijke motto, leefregel of ultiem inspirerende zin.

’Ik ben net zeventig geworden. Mijn leven lang al is mijn grote held Menno Simons. Dat was de Friese priester die in de zestiende eeuw de rk kerk uitstapte en grondlegger werd van de doperse beweging. Hij was onze Reformator, de enige Nederlander – maar wíj liepen hier allemaal achter Luther en Calvijn aan.

Op de middelbare school hoorde ik voor het eerst over Menno. Tijdens mijn studie theologie maakte ik kennis met zijn ’Fundamentboek’ (1539).

Zijn tijd was erg gewelddadig, en wat deed hij? Hij schreef iets liefs en moois, preekte de geweldloosheid. Hij paste ervoor mee te doen, bood geen verzet, stelde er geen machtsstreven tegenover – wat Luther en Calvijn wel deden – maar zat liever in zijn Friese dorpje.

Overal op de wereld heb ik rottigheid gezien, tijdens zendingsreizen, voor het Leger des Heils. Het enige wat je ertegenover kunt stellen is wat Menno zei: ’Dit heb je nodig, het geloof in Christus. Een Heer, een geloof, een doop.’

Dat spreekt me aan.

Wat Doekle Terpstra doet, tekeer gaan tegen Geert Wilders, daar ben ik tegen. Wilders vertegenwoordigt geweld, haat, hij is grof hoor. Met zijn campagne tegen de Koran – de Bijbel kent genocide-oproepen, moeten we die dan ook verbieden? – en tegen moslims. Maar toch: je moet Wilders niet bevechten als een Terpstra.

Wat dan wel? Wat liefs en vriendelijks doen, zoals Menno Simons deed. Hij benaderde mensen als broeders en zusters, hij maakte van de wereld familiewerk.

Tijdens zendingsbijeenkomsten in het hele land trad ik geregeld samen met Alida Bosshardt op. Zij deed het preekje, ik praatte de koorzang aan elkaar.

We kenden elkaar al lang. Tijdens mijn studie deed ik iets journalistieks over het Leger op de Walletjes. Bosshardt was toen nog onbekend. Op één van de grachten stond ze naast de vliegende vaandels en trommels. Plotseling riep ze: ’Die jongen weet veel van de Bijbel, die studeert al jaren, híj legt u de kern van onze boodschap uit.’

En daar stond ik, ze zette me gewoon voor het blok want ze had me vooraf niks gevraagd. Enfin, dáár heb ik leren preken.

Als Menno mijn mannelijke held was, dan was Alida mijn heldin. Als ik haar in de auto naar weer een optreden vertelde over Menno Simons, interesseerde dat haar, maar veel kennis van kerkgeschiedenis had ze niet. Al die kerkscheuringen en -muren, ze wilde er niets van weten. Doe mij maar een bijbel, zei ze dan.

Alida leek op Menno. Ook dat ontwapenende, lieve. Een Heer, een geloof, een doop – en geen gezeur erover, en zeker geen gevecht. Het hart, het geloof, de mens zelf, daar ging het haar om; om kerken gaf ze niks. In de oorlog had ze zoveel ellende gezien dat ze overtuigd geweldloos was. Kortom: Alida was helemaal Menno Simons.

Dit jaar heb ik besloten om een musical over Alida te schrijven. Ik ken haar lang, schrijf af en toe in het Leger des Heilsblad De Strijkreet. Met Jos Brink heb ik er in augustus over gesproken. Hij was enthousiast, wilde de musical ’De Majoor’ gaan produceren, maar toen overleed hij. Albert Verlinde vond het ook een goed idee, maar te Nederlands; hij doet alleen internationale producties.

Het project moet volgend jaar op de planken komen, maar het ligt even stil, in afwachting van een producent. Die moet de muziek gaan regelen. Het Leger heeft een mooie traditie daarin: met hoempamuziek, volks met een boodschap.

De boodschap in ’De Majoor’ wordt: ’Wat een mooi mens was dat! Wat heerlijk om zo gelovig en relaxed te zijn!’ Want godsdienst en humor, die zijn niet altijd vrienden. Bij Alida wel. Daar kan ik nog veel van leren. Ik hoop dat ’De Majoor’ voor het moderne publiek wordt, wat het ’Fundamentboek’ voor mij is geweest.

Het is wel gecompliceerd, dat schrijven van de musicaltekst. Met openluchtscènes en stukken in het korpszaaltje en in het Goodwillcentrum.

Verder moet ik er de criminaliteit van de Amsterdamse rosse buurt in verwerken; de penose ontbreekt nu nog wat.

Wat ik er al wel dik in heb zitten, zijn de prostituees. Vondel voerde in zijn toneelstukken reien zingende engelen op, ik varieer daarop: in De Majoor zingt een rei hoeren.”

mailIcon print |