Ik ben in het verleden een tijd lang nogal ongeëmancipeerd geweest, ongevrouwenemancipeerd bedoel ik. Of ik er veel aan kon doen weet ik niet, de vrouwenbevrijding heerste gewoon nog niet erg in mijn omgeving. Net zomin als er toen veel Turken en Marokkanen over straat liepen.
Ik had een schoolvriendinnetje, Corinne, dat zo nu en dan erg vervelend was en dat ik op een ochtend op het schoolplein een mep verkocht. Dit delict kwam meester Altman ter ore, die mij voor zijn vierschaar daagde en zei dat je meisjes niet behoorde te slaan. Het bevestigde mijn beeld van de verhoudingen: jongens mochten meisjes niet slaan.
Ook zag ik mijn moeder ongaarne uit de keuken vertrekken. Toen ze eens in d’r eentje op familiebezoek was en wij overgeleverd waren aan de kookkunst van mijn vader kregen we vier dagenlang alleen een gebakken ei als hoofdmaaltijd. Dat beeld van het zwakke en huishoudelijke geslacht is jarenlang in mij blijven hangen, en laat ik het maar toegeven, ook nog toen rond mij de eerste emancipatiegolven aan kwamen rollen.
Het uitte zich op allerlei tegenstrijdige terreinen. Zo vond ik, in het voetspoor van mijn vader, dat vrouwen niet behoorden te roken, en zeker niet op straat. Pas toen mijn hormonen mijn ideeën begonnen te overstemmen, en ik een vriendin kreeg die er lustig op los pafte, stelde ik mijn rook-ideologie bij. En dan had je de begaafde vrouw. Ik wilde zelf, enigszins vergeefs bleek, concertpianist worden en was lichtelijk jaloers op al degenen die dat, briljant en ijverig en al, wisten te bereiken, maar vooral vrouwen staken mij de ogen uit. Eerlijk gezegd (laat ik maar een volledige bekentenis afleggen, misschien lucht het op), kon ik er helemaal niet tegen als zo’n wezen mij volkomen voorbijstreefde in parelende techniek.
Een van de ergste vrouwonvriendelijkheden die ik op mijn geweten heb is het feit dat ik jarenlang Evelyn Waugh niet beliefde te lezen, omdat ik dacht dat het een vrouw was. Mea culpa! Mea culpa! Ik doe boete en herroep!
In later jaren ebde dat alles langzaam weg, maar een doodenkele keer bleek er toch nog een onvermoed restantje in mij te zijn achtergebleven, bijvoorbeeld toen ik het een keer in een recensie over de ’vrouwenziel’ had, waarop ik een boze brief kreeg van iemand die zich Anna nóemde en die zich afvroeg waarom ik het dan elders niet over de ’mannenziel’ had, maar gewoon over de ’ziel’. Was de vrouwenziel zoiets raars dan? Een andere boze lezer heeft mij wel eens een ’fellow-traveller van het feminisme’ genoemd, ook niet gunstig, maar ik beschouw het maar als een geuzennaam.
Zo verdriet het mij dat, volgens de Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen in een brief aan informateur Wijffels, de emancipatie stagneert en dat dokteressen, om dat woord maar eens van stal te halen, werk en kinderen niet kunnen combineren. En verder vind ik dat Hillary Clinton president van de Verenigde Staten moet worden, Iron Lady desnoods, om al die nare mannetjes een lesje te lezen. Alleen aan een vrouwelijke Talibanleider ben ik nog niet toe.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.