*

 

Met zuster Iggy jammen in de naam van de Heer

Cokky van Limpt − 26/11/07, 00:00

De hype om de paardekastanje in de tuin van het Achterhuis haalde uiteraard ook de kolommen van het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW). Waarom, vroeg de redactie aan historicus David Wertheim, is het zo belangrijk voor mensen om alles te weten te komen wat met Anne Frank te maken heeft?

Wertheim: „In onze cultuur is de geschiedenis van de Holocaust een bron van morele waarden, en voor velen is de geschiedenis van Anne Frank een van de beste manieren om die te leren kennen. Om die reden krijgt alles wat met Anne Frank te maken heeft een morele lading. Wie het Dagboek goed begrijpt, zal het verschil tussen goed en kwaad leren kennen.”

Wat wij nu ervaren als een media-event, komt volgens hem voort uit deze morele wens om authentiek contact te maken met het verleden. Anne Franks boom en Anne Franks Achterhuiskamertje zijn relieken geworden, zegt Wertheim.

„In feite is er sprake van een religieuze cultus. In veel godsdiensten is er sprake van geopenbaarde teksten, die vertellen over een geschiedenis die de sleutel is voor hoe wij ons dienen te gedragen.” Voor het Dagboek geldt volgens hem in zekere zin hetzelfde als voor bijvoorbeeld de Bijbel.

Dr. G. W. Marchal heeft slapeloze nachten, bekent hij in Confessioneel. Aanstichter van zijn nachtelijk gewoel is de zich atheïstisch noemende dominee Klaas Hendrikse, maar meer nog de wijze waarop de Protestantse Kerk in Nederland met deze luis in de pels omgaat, of liever juist niet omgaat.

Is dit de kerk waarin en waaraan ik meer dan veertig jaar van mijn leven heb geïnvesteerd, vraagt Marchal zich wanhopig af. Wat is dit voor club van mensen, nog Roomser dan de paus, waarin een dominee bijkans alles mag beweren, als ware hij onfeilbaar?

Om in deze chaos enige klaarheid te scheppen, haalt Marchal het magische woord ’tucht’ van stal. Hij vindt voor zijn tuchtmissie steun bij dr. Bram van de Beek, die in ’Ontmaskering’ constateert dat er in de kerk geen leervrijheid bestaat, net zomin als die in de universiteiten bestaat.

In de universiteit kun je niet alles beweren en in de kerk evenmin, schrijft Van de Beek: ’In de universiteit krijg je bij het verkopen van wetenschappelijke onzin een advies om te vertrekken. De kerk moet zich bewust zijn dat zij bij het verkopen van onzin die niet getoetst is aan haar credo, als kern waarom het in de Schrift gaat, mensen moet zeggen dat zij hun leeropdracht kwijtraken – op de kansel en op de katheder.’

Een voorganger die ooit een belofte heeft afgelegd om toegelaten te worden tot het ambt van dienaar van het Woord, en die deze belofte niet meer kan beamen maar toch gewoon verder gaat, is in de ogen van Marchal een gespleten mens, en verdient volgens hem niets anders dan kerkelijke tucht. Ook voor deze kloeke stelling kan hij terecht bij een theoloog op de rechterflank. Dankbaar citeert hij uit de Verzamelde Werken van dr. Oepke Noordmans: ’Een kerk die de moed niet heeft om, als ’t moet, haar dienaren aan de dijk te zetten, is misschien een Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, maar geen kerk.’

Zuster Iggy wordt ze liefkozend genoemd door haar vroegere leerlingen, nu veelal gepensioneerd. We gaan terug in de tijd, naar het Jamaica van de jaren zeventig. Reggae veroverde de wereld. Maar wat ging daaraan vooraf?

Ooit geweten dat een non een cruciale rol heeft gespeeld in Jamaica’s muzikale explosie? Het Engelse rk weekblad The Tablet ontdekte het verbazingwekkende verhaal van Zuster Ignatius, een in 2003 overleden Sister of Mercy uit Kingston.

Zuster Iggy wijdde haar leven aan de Alpha Boys’ School voor wezen en kansarme kinderen. De school deed al sinds haar stichting in 1880 aan muziekonderwijs. Dit onderwijsprogramma stond al gauw bekend als ’Jamaica’s kweekvijver voor fanfaremuziek’. Zuster Ignatius had een neus voor muzikaal talent en heeft heel wat jongetjes gestimuleerd, die via het fanfarekorps van de school in beroemde ska- en reggaebands zijn terechtgekomen.

Legendarisch werd de disco van de non, waarmee zij elke zaterdagavond over het eiland trok – mensen hadden in de jaren veertig, vijftig en zestig nauwelijks radio’s of platenspelers – en zo de Jamaicanen in aanraking bracht met reggae en onbekende groepen populair wist te maken. Volgens Winston ’Sparrow’ Martin, ooit bij Bob Marley’s Wailers, zou 75 procent van Jamaica’s reggae-explosie zonder zuster Iggy niet hebben plaatsgevonden.

mailIcon print |