Algerije wordt stinkendrijk door de export van olie en gas. Maar slechts weinigen profiteren ervan.
„We redden ons. Elke keer vind ik wel weer een nieuwe klus of nieuwe klanten. Maar het is geen leven, zo in onzekerheid”, zegt de Algerijn Ahmed Oukaci (32). Hij is een illegale taxichauffeur in de hoofdstad Algiers en werkt zeven dagen per week, overdag en ’s avonds, om rond te komen. Maar het dagelijks leven wordt duurder en duurder. At hij tien jaar geleden – ten tijde van de bloedige burgeroorlog – nog regelmatig vlees, nu eet hij één keer per week kip. „Vis heb ik in geen tijden meer gekocht, veel te duur”, vertelt hij.
Algiers, met zijn witte huizen met blauwe luiken, is gebouwd op een rots en knapt uit zijn voegen. In vijftien jaar tijd is de bevolking verdubbeld naar zo’n vier miljoen inwoners. Veel mensen die in de jaren van terreur hun dorpen ontvluchtten, zijn in Algiers komen wonen. Ook Najat (31), de vrouw van taxichauffeur Ahmed. „We zijn in 1994 uit Blida gevlucht. Het was daar een kruitvat, overal lagen lijken. We zijn nog maar net aan de dood ontsnapt”, vertelt ze. Nu wonen ze met zijn achten, met Ahmed, hun zoon en haar hele familie, in een driekamer-appartement in een torenflat zonder lift in een grauwe buitenwijk van Algiers. „We voelen ons nu veilig, maar de woningnood is een ramp”, zegt ze.
Als afgestudeerd ingenieur in de elektronica verdient Najat 190 euro per maand bij een staatsbouwbedrijf. Dat komt overeen met de huur van een driekamerappartement. In vijf jaar tijd zijn de huizenprijzen verdubbeld.
Najat en Ahmed Oukaci behoren tot de middenklasse. Met zijn Volkswagen uit 2002 haalt Ahmed zo’n 400 euro per maand op. „Wij overleven. Maar hoe anderen het doen, ik weet het niet. Een pak melk kost nu 25 eurocent, een half jaar geleden nog 20. Net de beurs”, zegt Najat.
Econoom Lamiri, directeur van het Institut International de Management schat dat een derde van de economie informeel is. Taxichauffeur Oukaci kent de vele zwarte markten waar mensen kleding, computers, auto’s en eten in- en verkopen. Hij is daar zelf ook ooit begonnen. „Als de autoriteiten die sluiten, weet ik niet wat er zal gebeuren. ’s Avonds na het gewone werk moet de Algerijnse burger handel drijven.”
De beloftes van president Bouteflika voor meer nieuwe woningen kennen de Oukaci’s maar al te goed. Vijf jaar geleden schreef zijn vrouw zich in voor sociale koopwoningen. Vier jaar geleden deden ze de eerste aanbetaling van tien procent – 1400 euro. Begin 2006 zou hun torenflat worden opgeleverd. „Maar we moeten nog minstens 16 maanden wachten, tot mei 2008”, vertelt Oukaci. Ondertussen verhuren degenen die al wel hun flat hebben gekregen, het appartement onder aan mensen van buiten de stad. „Elke maand vangen ze daar 100 euro extra mee. Sommige families hebben zelfs meerdere flats gekregen. Maar ik wil geen vuile handen, ik wil niet meedoen aan corruptie”, zegt hij.
Het is twaalf uur ’s nachts en Oukaci brengt zijn laatste klanten weg. Kilometers buiten de stad doemt een nachtclub op. Op de parkeerplaats staan de nieuwste modellen BMW. Binnen zijn alle tafeltjes bezet. Mannen in pak rond een tafel met flessen whisky worden omhelsd door jonge dames in strakke spijkerbroeken. „Leve het volk”, zingt de zangeres en ze struint langs de tafeltjes. „10.000 dinar (100 euro), wie biedt er meer?”, galmt ze door de microfoon haar verzoek om geld voor de bandleden. Ze houdt de flappen in haar hand. Uiteindelijk haalt ze 700 euro op.
„Dat is een traditie bij ons”, zegt Tarek, zakenman in audiovisuele producties. Eén keer heeft hij meegemaakt dat iemand zijn auto weggaf aan de band. ’Club du Parc’ is altijd opengebleven, ook tijdens de jaren van terreur. Nu komen er de nieuwe rijken: degenen die tijdens de ’zwarte jaren’, toen er totale anarchie heerste in Algerije, miljoenen euro’s hebben verdiend aan zwarte handel, corruptie en afpersing.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.