De internationale gemeenschap staat op het punt om de laatste banden tussen Kosovo en Servië door te knippen. Servische inwoners van de regio houden hun hart vast.
Er scharrelen kippen over het erf van Ljiljana Milic, haar zwager klust wat in de schuur. Even verderop ligt een landje, waar de familie voedsel verbouwt. Het gaat er landelijk aan toe in Babin Most, een dorpje in de buurt van Kosovo’s hoofdstad Pristina.
Maar de dingen zijn anders dan ze lijken. Babin Most is een ’Servische enclave’, een dorp waar vrijwel alleen Serviërs wonen. Milic is geen boer, maar opgeleid als econoom. En ze woont niet in een boerderij, maar in een huis dat is gebouwd door een Noorse hulporganisatie.
Dertig jaar lang woonde Ljiljana Milic in Pristina. In haar huis in de hoofdstad wonen nu Albanezen, die haar sinds kort 25 euro huur per maand betalen. „Een schijntje”, zegt ze in haar kleine woonkamer.
Milic en haar familie ontvluchtten Kosovo na de Navo-bombardementen in 1999, net als ruim tweehonderdduizend andere Serviërs. Dat ze terugkeerde in Kosovo, in 2000, is bijzonder: slechts 15.000 mensen zijn de afgelopen jaren teruggekomen. Serviërs voelen zich niet op hun gemak in Kosovo, sinds ze door de Albanezen verjaagd werden. Ze zijn bang, hoewel het etnisch geweld volgens VN-macht Unmik de afgelopen tijd afneemt.
Milic kan over angst meepraten. Haar ouders werden in 1999 ontvoerd en zijn nooit meer teruggekeerd. Het heeft het contact met Albanezen er niet makkelijker op gemaakt. In Babin Most wonen naast negenhonderd Serviërs ook tweehonderd Albanezen, in hun eigen hoek van het dorp. „Op zich gaat dat goed, de beide gemeenschappen bezoeken elkaars winkels. Maar Albanese vrienden heb ik niet.”
Vroeger, voor de oorlog, was dat anders. In Pristina woonden Albanezen en Serviërs door elkaar en met elkaar. Milic had Albanese vrienden, kwam bij hen over de vloer. De oorlog heeft dat kapot gemaakt. Ze lacht een beetje wrang: „Het gaat nu wel redelijk, maar het kan zomaar misgaan. Kijk maar naar 17 maart.” Op die dag in 2004 sloeg de vlam weer in de pan. Bij etnische onlusten kwamen tientallen mensen om.
Ook financieel is het leven moeilijk voor de Serviërs. Net als onder Albanezen is de werkloosheid hoog. „Maar voor ons is het nog moeilijker, omdat we ons niet vrij kunnen bewegen”, zegt Milic. Ook haar echtgenoot is al jaren min of meer werkloos, hoewel hij vorig jaar een tijdje een baan had in Pristina.
Terwijl Milic bij het fornuis in het halletje van haar woning koffie zet, vertelt ze hoe haar man na twee maanden ontslag nam. In het deel van Pristina waar hij werkte, voelde hij zich niet veilig, en op zijn werk ook niet. „Ik zei hem dat we het geld niet konden missen, maar toen hij vertelde hoe de gesprekken op zijn werk stilvielen als hij binnenkwam, begreep ik het wel.”
Nu werkt Milic’ echtgenoot af en toe in Servië, en ontvangt hij uit Belgrado een toelage van honderd euro per maand. Dat laatste geldt voor meer Serviërs in Kosovo. In centra in de enclaves kunnen ze bovendien gratis medische zorg krijgen, van artsen die uit Servië komen.
Met financiële steun probeert Servië de Serviërs in Kosovo te houden. Hoe dat moet als Kosovo en Servië gescheiden zijn, is nog niet duidelijk. Uit uitgelekte voorstellen blijkt in ieder geval dat Servië ook straks nog geld naar Kosovo mag sturen.
De Serviërs krijgen bovendien binnen hun eigen gemeentes meer zeggenschap over bijvoorbeeld de politie. Voor Milic is dat laatste heel belangrijk, want de politie vertrouwt ze niet helemaal. Als haar echtgenoot vanuit het dorp in zijn auto de hoofdweg opdraait, wordt hij wel eens zomaar een half uur tegengehouden door Albanese agenten.
Een ander incident heeft ook zijn sporen nagelaten: begin dit jaar werd vlakbij Babin Most een vermoorde Albanese agent gevonden. Politie-invallen in het dorp waren volgens Milic onnodig hardhandig. Opgepakte dorpsbewoners moesten later weer vrijgelaten worden.
Even later wijst ze in de hoofdstraat op de schoolbus, die net het dorp komt inrijden. Haar zoon van zestien gaat er elke dag mee naar school, onder politiebegeleiding. Milic zucht even diep. „Nee, dat voelt eigenlijk niet zo veilig.”
Toch wil ze graag in Kosovo blijven. „In Servië heb ik niets te zoeken. Zelfs als Kosovo onafhankelijk wordt, zal ik niet meteen vertrekken. Maar ik ben wel bezorgd. Veel hangt af van de Albanese politici, en van hen hebben we de afgelopen zeven jaar niets positiefs gehoord.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.