De VVD heeft het al enige jaren moeilijk met de rol van religie in het publieke leven. Dat uit zich in pleidooien om de vrijheden van godsdienst en onderwijs in status te verlagen. Vier jaar geleden bepleitte Zalm als lijstaanvoerder van de partij het non-discriminatiebeginsel een bovengeschikte positie toe te kennen. Op die manier wilde hij kwetsbare minderheden, zoals homo's, beschermen tegen beschimping van geestelijke en politieke leiders die zich beroepen op de Bijbel of de Koran. In zijn motivering zat ook iets verongelijkts; Zalm meende dat gelovigen zich meer konden veroorloven dan ongelovigen. Dat moest niet mogen.
Vorige week pleitte de liberale minister Nicolaï ervoor de vrijheid van meningsuiting boven alle andere grondrechten te plaatsen. Volgens hem is deze vrijheid belangrijker dan de vrijheid van godsdienst, omdat zij waarborgt dat over en tussen de verschillende religies discussie mogelijk is. Die discussie is in de ogen van de liberaal nodig om een religie, zoals de islam, gaandeweg van haar scherpe kantjes te ontdoen. Nicolaï zegt het niet zo ronduit, maar daar komt het toch op neer. Een toename van de orthodoxie in de islam beschouwt hij als een riskante ontwikkeling. Liever ziet hij dat theologische leerstelligheden plaats maken voor algemene noties, zodat gemakkelijker bruggen met andere religies en bevolkingsgroepen kunnen worden geslagen.
Religies hebben, anders gezegd, wel vrijheid van bestaan, zolang zij maar dezelfde mate van weldenkendheid en verdraagzaamheid aan de dag leggen als Nicolaï. Daartoe moeten de gelovigen zich wel getroosten dat anderen hen onbekommerd de maat nemen. Culturele uitingen die leiden tot gekwetste gevoelens, moeten ze voor lief nemen. Nicolaï noemt als voorbeeld de kruisigingsact van Madonna vorig jaar tijdens haar optreden in de Arena. De redenering van de liberale minister is ingenieuzer dan de onverbloemde verongelijktheid van Zalm vier jaar terug, maar in wezen bevoogdend en voorkomend uit gevoelens van superioriteit.
In dat licht is het geruststellend dat onze Grondwet geen rangorde in de grondrechten aanbrengt. Het vorige kabinet (Balkenende II) heeft dat nog eens bevestigd. Welk grondrecht voorrang krijgt, moet bij elke botsing opnieuw worden bepaald, in laatste instantie door de rechter. Deze praktijk is verre te verkiezen boven een rangorde, die bij de liberalen ook nog eens per jaar of spreker verandert.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.