Het Nederlandse onderwijsbestel dwingt jongeren te vroeg te kiezen. Een tweedeling dreigt. Minister Plasterk ziet het probleem niet.
De Nederlandse hogescholen en universiteiten zijn van hoog niveau. Maar veel jongeren zullen er helaas nooit terechtkomen, omdat ze al op twaalfjarige leeftijd een andere kant op gestuurd worden. Het Nederlandse onderwijsbestel werkt een tweedeling in de hand.
Dat was deze week de boodschap van de Oeso, de organisatie van geïndustrialiseerde landen. Uit het Oeso-rapport sprak verwondering. Jongeren worden in Nederland al op hun twaalfde geselecteerd voor ofwel vmbo ofwel havo/vwo. Wie havo of vwo gaat doen, kan soepel doorstromen naar hbo of universiteit. Maar wie op het vmbo terechtkomt, slaagt er zelden in het hoger onderwijs te bereiken.
Reden tot zorg, vindt de Oeso. Want vooral jongeren uit lagere sociale lagen en van allochtone afkomst zijn het slachtoffer van deze tweedeling. Zij kiezen bovengemiddeld vaak voor het vmbo. Sommigen blijken na hun twaalfde toch meer in hun mars te hebben, lopen hun achterstand in en kunnen dan best meekomen op havo of vwo. Daarna zouden ze naar hogeschool of universiteit kunnen. Die kans krijgen ze niet.
De Oeso snijdt een vraag aan die het onderwijsdebat in Nederland jarenlang heeft beheerst: hoe kan voorkomen worden dat leerlingen op te jonge leeftijd te definitief worden geselecteerd? Een bevredigend antwoord is nooit gevonden. De brugklas, ingevoerd in 1968, was dat antwoord niet. De middenschool uit de jaren zeventig en de basisvorming uit de jaren negentig evenmin. Er bleven gescheiden brugklassen bestaan voor het lager beroepsonderwijs en mavo, havo en vwo. En de middenschool (waarin iedereen tot z’n zestiende hetzelfde onderwijs volgde) is nooit van de grond gekomen.
De basisvorming was de laatste poging, al even vruchteloos. Die hield in dat alle scholieren in de eerste leerjaren van het voortgezet onderwijs les kregen in dezelfde vijftien vakken, zij het op twee niveaus. Maar vorig jaar is het programma zo ingrijpend veranderd dat de basisvorming in feite is afgeschaft.
Daarmee lijkt de discussie gesloten. Want niemand in Nederland maakt zich nog zorgen over die vroeg afgedwongen keus, constateren de Oeso-deskundigen verbaasd.
De zorgeloze reactie van minister Plasterk bevestigt die waarneming. Want de minister maakt zich er makkelijk van af. Hij wijst erop dat jongeren via het vmbo naar het mbo kunnen en vandaar naar een hogeschool – dus hoezo tweedeling?
Daar zit iets in. Ruim een kwart van de hbo-studenten komt uit het mbo, en dat aandeel groeit. Maar Plasterk gaat eraan voorbij dat deze jongeren een lange omweg maken.
Opmerkelijker nog is dat de minister de kern van het Oeso-pleidooi negeert: zorg dat vmbo’ers ook soepel kunnen overstappen naar de havo.
Achtduizend leerlingen per jaar gaan na het vmbo door naar de havo, waar ze vaak geen diploma weten te halen. Meer overstapkansen zijn er niet. Veel van zijn voorgangers vonden dat dat anders moest, Plasterk kennelijk niet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.