VN-bemiddelaar Ahtisaari bezoekt vandaag Belgrado en Pristina om zijn plannen voor de toekomst van Kosovo te presenteren. Als het aan hem ligt wordt de regio vrijwel onafhankelijk. Maar zowel Kosovo zelf als zijn Servische minderheid lijkt daar nog helemaal niet klaar voor.
Tito zou zich in zijn graf omdraaien als hij het busstation van Mitrovica zag. Eens moet het een knap staaltje communistische architectuur zijn geweest. Een centrale hal met een restaurant, decoratieve kubussen die aan het plafond hangen en in het midden een fontein.
Maar nu staat de fontein droog en is het restaurant slechts te herkennen aan de lege bar. Alleen de toiletten worden nog gebruikt. ’WC’ heeft iemand met grote letters op de muur gekalkt.
Mitrovica is niet de enige plaats in Kosovo waar het met de publieke voorzieningen droevig gesteld is. Er is geen geld om iets aan de fysieke infrastructuur te doen, de wegen liggen er belabberd bij. Het allergrootste probleem is de elektriciteitsvoorziening: veel dorpen zitten het grootste deel van de dag zonder stroom.
En dat terwijl de regio wat energie betreft eigenlijk niet te klagen zou moeten hebben. Er zitten grote hoeveelheden bruinkool in de grond – met zijn reserves staat het kleine Kosovo zelfs nummer vijf in de wereld. De elektriciteitsfabrieken en de mijnen liggen er echter verwaarloosd en grotendeels verlaten bij.
Het is inmiddels meer dan zeven jaar geleden dat de Navo met bombardementen de Servische (para-)militairen van Slobodan Milosevic uit Kosovo verdreef. Sindsdien deelt de VN-missie Unmik, samen met de tijdelijke Kosovaarse regering, de lakens uit in het gebied. Maar Unmik heeft de economie van Kosovo nauwelijks echt op de rails gekregen.
Vorig jaar was er na jaren van stagnatie eindelijk een klein beetje economische groei: zo’n 4 procent. Maar de werkloosheid blijft hoog, met officiële schattingen die variëren tussen 30 en 55 procent.
De overheid is bovendien vrijwel platzak: er is corruptie, de belastinginkomsten zijn minimaal en vanwege de onduidelijke status van de regio kan ze geen geld lenen op de internationale kapitaalmarkt.
VERVOLG OP PAGINA 2
Tijd voor grote schoonmaak
VERVOLG VAN PAGINA 1
Er zijn ontwikkelingen die wat meer optimisme lijken te rechtvaardigen. Zo moet Kosovo haast het meest ’benieuwbouwde’ land ter wereld zijn. Overal grijnzen vaak onvoltooide gebouwen – rode baksteen, raamloze kozijnen – de voorbijganger aan. Tot afgrijzen van plaatselijke architecten zijn er in het centrum van het Servische deel van Mitrovica zelfs chalet-achtige houten huisjes verschenen.
Maar veel positiefs is er over de bouwboom eigenlijk niet te zeggen. In eerste instantie waren nieuwe huizen vooral bedoeld om verwoeste woningen te vervangen of onderdak aan vluchtelingen te bieden. Tegenwoordig stoppen mensen hun geld – vaak ontvangen van familieleden in het buitenland – in bakstenen bij gebrek aan andere investeringsmogelijkheden. „Het wijst juist op een zwakke economie”, zegt economisch adviseur Elinor Bajraktari, in een van de grijze gebouwen van de VN in Kosovo’s hoofdstad Pristina.
In Pristina zit het merendeel van de tweeduizend VN-ers die nog in Kosovo zijn. Zij maken zich langzaam op voor vertrek, om plaats te maken voor de Europese Unie. Die zal straks in de gaten gaan houden of de Kosovaarse overheid zich aan alle afspraken houdt, en of de politieke elite netjes omgaat met de leningen die Kosovo straks waarschijnlijk mag afsluiten bij internationale organisaties.
Dan moet er wel het een en ander veranderen. De Albanees-Kosovaarse politici – Serviërs boycotten de Kosovaarse instituties – hebben zich de afgelopen jaren niet direct van hun meest verantwoordelijke kant laten zien. Over de economie ging het bijvoorbeeld maar weinig, want het motto was simpel: eerst onafhankelijkheid van Servië, daarna komt alles goed.
De laatste jaren zijn vooral heengegaan met politiek gebekvecht tussen Servië en de Kosovaarse regering. En als de politici geen ruzie maakten met Servië, dan wel met elkaar. Drie partijen domineren het politieke landschap, waarvan er twee onder leiding staan van voormalige UCK-rebellen. Een van hen, Ramush Haradinaj, moet binnenkort terechtstaan voor het Joegoslavië-tribunaal wegens oorlogsmisdaden.
De partijen gunnen elkaar het licht in de ogen niet, en ook intern is het er hommeles. Op een recent congres van de grootste, gematigde partij LDK gingen twee facties met elkaar op de vuist. Het kwam net niet tot een vuurgevecht.
„Kosovo heeft de afgelopen jaren bewezen dat het zichzelf niet kan regeren”, zegt journalist Dukagjin Gorani simpelweg. Volgens hem is het tijd voor een grote schoonmaak in Kosovo; de leidende politici vindt hij een stel boeven.
Terwijl Gorani nog een sigaret in zijn sigarettenhouder steekt, schetst hij met opgeruimd cynisme het angstige gedrag van de VN-bazen de afgelopen jaren. „De Verenigde Naties heeft zijn vingers niet willen branden aan Kosovo. Als de Europese Unie het straks van Unmik overneemt, moet ze beginnen met het opsluiten van een aantal politici. Dit land heeft gerechtigheid nodig.”
Gewone Albanezen beamen dat. De 29-jarige Fati bijvoorbeeld raakt niet uitgepraat over de machtswellust en vriendjespolitiek van de huidige politici. Zelf heeft hij een baan in het enige Thaise restaurant van Pristina, maar om zich heen ziet hij te veel werkloze jongeren. „Als je de hele dag maar wat rondhangt en niets te doen hebt, ga je vanzelf slechte dingen doen.”
Fati maakt zich zorgen over zijn toekomst en over die van zijn twee kinderen. Als Unmik en haar internationale personeel straks vertrekt, zal de belangstelling voor de Thai afnemen, zo vreest hij. En niet ten onrechte: Unmik heeft al becijferd dat haar eigen vertrek Kosovo een aantal procentpunten groei zal gaan kosten.
Dat zou een klap voor de economie betekenen, juist als de ’onafhankelijkheid’ een feit is en de Kosovaren rekenen op verbetering. Economisch adviseur Bajraktari: „De Kosovaarse overheid moet echt iets gaan doen aan het verwachtingspatroon van de bevolking. Want de echte problemen blijven, wat de status van Kosovo ook is.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.