*

 

Een voorbeeld van de mythologiserende wijze waarop spraakmakers omgaan met het verzet

Jan Greven − 30/01/07, 00:00

Bij het overlijden van verzetsman Joop Wolff, eind vorig jaar, interviewde het Radio 1 Journaal oud-Waarheid-redacteur Gijs Schreuders. Wolff kwam uit Haarlem, waar het communistisch verzet, net als in heel Noord-Holland, sterk was geweest. Maar wat maakte Schreuders daar van? „In Noord-Holland”, zei hij, „moest je voor verzet bij de communisten zijn.”

Alsof het christelijk verzet niet Joodse kinderen uit de Hollandsche Schouwburg redde en het ondergrondse Trouw niet vanuit Amsterdam gemaakt werd. Ik vond het een mooi voorbeeld van de onhistorische, mythologiserende wijze waarop spraakmakers in ons land omgaan met bezetting en verzet.

J. J. (Co) Vriesendorp werd op 4 mei 1942 afgevoerd naar het gijzelaarskamp Sint Michielsgestel. Hij was toen net 32 en liet thuis zijn 21-jarige vrouw Cor achter met een baby van tien weken.

Vriesendorp studeerde rechten in Leiden, was advocaat in Dordrecht en daar secretaris van de Nederlandse Unie. De Unie kwam op voor de Nederlandse identiteit en zocht daarover het gesprek met de bezetter, wat haar na de oorlog niet in dank is afgenomen. Na het verbod van de Unie in december 1941 schreef hij een misnoegde brief aan zijn medeleden en kwalificeerde zich daarmee als gijzelaar.

Direct na aankomst in Gestel schrijft hij zijn vrouw een brief en hij blijft dat doen. Iedere dag. Eerst als gijzelaar, later als onderduiker. Zijn vrouw en familie schrijven hem terug zoveel zij kunnen. Zijn kinderen hebben deze correspondentie nu mooi verzorgd uitgegeven.

Ondanks alles voelt Co zich onder de gijzelaars als een vis in het water. Het lijkt een late voortzetting van zijn Leidse studententijd. Hij gaat naar lezingen, studeert, doet zaken af voor zijn kantoor, voetbalt, cricket en bouwt een fantastisch netwerk.

Oorlog en bezetting waren natuurlijk altijd aanwezig. Zeker toen op 15 augustus 1942 vijf gijzelaars gefusilleerd werden. Co schrijft er diezelfde dag nog over, maar afstandelijk. Van de gefusilleerden noemt hij alleen Rob Baelde, maar dat was dan ook een Leidenaar. Als later kamergenoot K. van der Kerkhoff, een communistische vakbondsman, wordt doodgeschoten wijdt hij daar één zin aan. Het lijkt op onwil het dagelijks ritme en de steun die daarvan uitgaat door dit soort ‘incidenten’ te laten verstoren.

Met vijftien andere reserve-officieren wordt hij op 18 juni 1943 vrijgelaten. Ze moeten op erewoord beloven zich te melden voor krijgsgevangenschap en duiken alle zestien onder. Co in Baarland op Zuid-Beveland. Zijn dagelijkse correspondentie zet hij voort. In het verzet gaat hij niet. „Ik ben geen held die met getrokken revolver ergens op af gaat”, schrijft hij. Hij overleeft. Zoals de meeste Nederlanders. Maar wel aan de goede kant. Door keus. Natuurlijk. Maar het zat er wel in. Rechten in Leiden, advocaat, lid van de Unie, gijzelaar, onderduiker. Daar zit een logische lijn in.

Toch loopt er een breuklijn door de brieven.

Zoals dat gaat bij mensen die op zichzelf staan, gaat Co zijn eigen bestaan steeds ego-gecentreerder inrichten. Dat gaat ver. „Door je laatste bezoek was ik echt overdonderd”, schrijft hij op 10 februari 1944 aan Cor, die hem blijkbaar onverwachts heeft opgezocht. „Mijn tegenwoordige vak (onderduiker, jg) vereist nogal wat concentratie en als die plotseling doorbroken wordt moet je je altijd aanpassen.” Dat is klaarblijkelijk niet gelukt, want hij vraagt excuus.

Oorlog en bezetting worden altijd als een breuk voorgesteld. Op zich terecht. Toch zou er veel meer aandacht moeten zijn voor de continuïteit waar negentig van de honderd Nederlanders voor kozen. Hadden ze trouwens veel te kiezen? Ze moesten verder en probeerden er, zoals in de Nederlandse Unie, het beste van te maken.

Het meeste naoorlogse verdriet gaat over de wonden die werden opgelopen in de strijd om continuïteit. Pas later kwam de vraag waarom bij het lijden van zoveel onschuldigen niet veel meer gekozen werd voor een breuk in het eigen bestaan. Typisch een vraag van jaren later, maar wel één die de obsessie voor het verzet verklaart. Dát deed tenminste iets.

Vriesendorp deed het minder spectaculair. Ook hij brengt offers. Net als zijn vrouw. Drie jaar uit elkaar en ieder voor zich verschrikkelijke dingen meemaken. Dat vervreemdt. Zo niet voorgoed, dan toch heel lang.

Geen helden, wel dapper, trouw en fatsoenlijk. Zo typisch Nederlands. Ging het daar niet om in de oorlog?

mailIcon print |