*

 

Wachten op Wijffels

Door: redactie − 30/01/07, 00:00

Het meest legendarische wapenfeit uit de wachtcultuur van de parlementaire journalistiek staat nog altijd op naam van P.L. van Enk, in de jaren zestig en zeventig politiek commentator van deze krant. Het speelde zich af in 1975, toen in de fractie van DS’70, een afsplitsing van de PvdA, een breuk dreigde over de koers en stijl van politiek leider Willem Drees junior.

In een gespannen sfeer kwamen de zes kamerleden van de partij op een avond in hun fractiekamer in het Kamergebouw bijeen voor wat een cruciaal beraad leek te worden. Het duurde en duurde en in de wachtende drom journalisten op de gang begon Van Enk ongerust op zijn horloge te kijken: de deadline van de krant naderde. Uit de fractiekamer kwamen weliswaar aanwijzingen dat de breuk onvermijdelijk was, maar Van Enk wilde zekerheid. ’Ik weet wel wat’, zei hij plotseling tegen collega’s, waarna hij wegbeende. Van Enk liep naar de elektriciteitskast in het kamergebouw en draaide resoluut de hoofdschakelaar om. De daad had het gewenste effect. In het pikkedonker kwam Drees, een beetje paniekerig, naarbuiten en riep: ’Wat is er gebeurd?’ Een journalist kraaide: ’Dat wilden wij juist aan u vragen’. Hierop deelde Drees mee dat de breuk in zijn fractie een feit was.

Met zijn nieuwe stijl van formeren heeft Herman Wijffels aan de wachtcultuur van de parlementaire pers een geduchte slag toegebracht. De lange wachtstonden bij de ingang van de Eerste Kamer zijn overbodig geworden, nu de informateur heeft besloten ’die bekende hoek van het Binnenhof’ te mijden en tijdens het proces weinig te melden. Tijdens een formatie in de jaren zestig, toen de fase van de poppetjes was aangebroken, stak Joseph Luns, de eeuwige minister van buitenlandse zaken, eens zijn hoofd uit het raam op de eerste verdieping en riep naar de wachtende journalisten: ’Hebben jullie nog wat namen?’ Dat zullen we onder Wijffels niet meemaken.

Piet Steenkamp, die in 1971 als informateur brak met de traditie van geslotenheid en veelvuldig de journalisten opzocht, informeerde in latere formaties altijd naar hun welzijn. ’Zorgt de heer Van der Wiel wel goed voor u?’, vroeg hij tijdens de lange formatie van 1977 eens bezorgd aan een verslaggever, die een dag lang in de regen op het Binnenhof had staan kleumen. Gijs van der Wiel was de toenmalige RVD-chef, die weinig naliet om het de journalisten naar de zin te maken.

Toen in dat jaar het formatietoneel zich tijdelijk van het Binnenhof naar het Catshuis verplaatste, regelde hij dat de pers in het tegenovergelegen hotel Bel Air kon wachten. Maar dat was gauw voorbij, toen in de nachtelijke uren de Pietjes Bell onder de journalisten gasten uit hun bed begonnen te bellen met triviale mededelingen. Van der Wiel bezorgde de pers daarna onderdak in een zaaltje van het aangrenzende Congresgebouw, waar hij een gevulde ijskast liet neerzetten. Hij posteerde er een ambtenaar bij, die moest voorkomen dat enkelingen een onevenredig grote slag sloegen. Maar met de grote en fatale openbaarheid in die formatie kwam ook aan die faciliteiten een einde.

Het meest legendarische telefoontje in de nachtelijke uren van een formatie staat op naam van de ANP-journalist E. van der Meulen. Vanwege een ontwikkeling in de VVD belde hij eens in het holst van de nacht de leider van de liberale senaatsfractie, David Luteijn: ’Goeiemorgen, meneer Luteijn, Van der Meulen, ANP. Ik dacht: ik stoor u maar niet tijdens het ontbijt’.

De wachtcultuur heeft trouwens al sterk geleden onder de verzakelijking van de politiek. Buiten wachten in weer en wind hoeft zelfs niet meer nu de RVD bewegingen van de informateur of de onderhandelaars via een sms’je aan de Haagse journalisten doorgeeft. Grappen zoals Van Enk die uithaalde, hebben later wel navolging gekregen, zij het minder inventief en elegant.

In de aanloop naar de kabinetscrisis van 1989 tilde een verslaggever onder druk van de deadline het VVD-kamerlid De Grave van de grond en drukte hem tegen een muur om het laatste nieuws uit zijn fractie uit hem te persen. ’Wat gaan jullie doen’, brulde de journalist tegen het arme kamerlid. Dat kon er ternauwernoord uitbrengen: ’Breken’.

mailIcon print |