De situatie in het ’gemengde gezin’ Van Dalen (woensdag in Trouw) lijkt sterk op onze situatie 25 jaar geleden. In 1981 kregen wij onze Koreaanse dochter, vier maanden oud, terwijl we al een biologisch eigen zoon hadden van twee. Met onze beide kinderen (nu 25 en 27 jaar) gaat het goed. Ze hebben hun plekje in de maatschappij gevonden. Wel herken ik de startproblemen: het wennen aan onze dochter vergde wat meer tijd en zorg dan we gedacht hadden.
In het artikel wordt gesteld dat gezinnen met adoptiekinderen én biologische eigen kinderen een wat groter risico hebben op problemen dan gezinnen waar alleen adoptiekinderen zijn. In de argumentatie wordt voorbijgegaan aan één belangrijke zaak: een kind met problemen legt altijd een grote druk op een gezin, bijvoorbeeld als het gehandicapt of ernstig ziek is. Problemen in ’gemengde gezinnen’ hoeven dus niet te liggen aan het feit dat er een adoptiekind is.
In ons gezin is het ’anders zijn’ van onze Koreaanse dochter nooit een opvallende zaak geweest. Toen haar adoptie bij de rechtbank wettelijk geregeld zou worden (de kinderen waren toen twee en vier jaar oud) zag onze zoon daar twee andere kleine Koreaanse meisjes. We zagen hem kijken van die meisjes naar zijn zusje. Wij realiseerden ons toen: nu pas ziet hij dat zijn zusje er anders uitziet. We koesteren een foto uit die tijd: twee kinderen die bloemetjes plukken in een groot weiland. De ene heeft blonde krullen en blauwe ogen, de andere pikzwart haar en twee donkere oogjes. Hoe gewoon kan anders zijn.
Ik blijf in die droom geloven.
MiddelburgTineke Veijgen-Theunis
Wij hebben drie kinderen. Twee geadopteerd en een ’biologisch’, de jongste. Onze ervaring is dat de bloedband net zo sterk is als de ’sores’-band. En problemen waren er! Nadat ze – zonder veel moeite van onze kant – ons huis binnen waren gekomen, bleek hun slechte start – geen hechtingsmogelijkheden en onvoldoende verzorging en begeleiding – voor veel ’sores’ te zorgen. We zochten hulp, maar dat was vaker een belasting dan dat we er wat aan hadden. Men was niet nieuwsgierig genoeg om uit te zoeken wat er aan de hand was. Dat hebben we vooral zelf moeten doen.
Ondanks dat en grote verschillen in uiterlijk en karakter zijn onze kinderen een goed drietal. Nu volwassen, tussen de veertig en vijftig. Alle drie met een goed sociaal gevoel. Om trots op te zijn. Natuurlijk was en is het belangrijk om je hersens erbij te houden, maar nog belangrijker is het een goed invoelingsvermogen te kweken.
GroningenP. Haveman
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.