*

 

Straks zit de juf op een sterretje in de hemel

door Iris Pronk − 27/01/07, 00:00

Elvira van der End weet dat ze doodgaat, binnenkort. Toch gaat ze nog steeds naar haar werk in het kinderdagverblijf. Haar peuters beschilderden vast de deksel van haar doodskist, met toestemming van alle ouders. „Ik laat nu eenmaal niet graag iets aan een ander over.”

Juf Elvira van de peuterspeelzaal gaat dood. De peuters hebben het deksel van haar doodskist alvast beschilderd. Voor de juf is dat een troost: „Mocht er een hiernamaals zijn, dan heb ik mijn peutertjes bij me.”

Haar ultrakorte haar wijst op een recente chemokuur, maar verder straalt Elvira van der End (45) energie en levenslust uit. Ze praat vrolijk en veel, knuffelt de driejarige dreumesen, leest ze boekjes voor, begeleidt ze naar de wc en bemiddelt bij een dreigend conflict over een speelgoedauto.

Het is gezellig in ’t Hummeltje, een KION-peuterspeelzaal in Nijmegen die oogt zoals vele andere in Nederland. Maar één detail valt op, tussen de vrolijke kindertekeningen aan de muur en het stootvaste peutermeubilair. Naast de vissenkom op tafel ligt het deksel van een doodskist, vrolijk beschilderd, dat wél.

Grappig, hè, zegt Van der End, terwijl ze kijkt naar de oranje, roze en rode vegen waarmee de peuters het deksel hebben versierd. Alle kleuren stonden op tafel, ook stemmig zwart en somber bruin. Maar de kleintjes kozen eensgezind voor feestelijke verf, om een van de laatste wensen van hun juf te vervullen.

Van der End loopt al een tijdje rond met een ’uiterste houdbaarheidsdatum’. In 1999 kreeg ze borstkanker, zes jaar later gaf ze een groot feest, omdat ze de risicojaren heelhuids was doorgekomen. Maar vorig jaar ontdekte ze een knobbeltje op haar sleutelbeen en bleek de kanker overal in haar lichaam te zijn uitgezaaid. Diagnose: terminaal, Van der End heeft misschien nog een paar maanden te leven.

„Ik ben een ontzettende regelneef”, zegt Van der End, die een man en twee zonen van 13 en 20 jaar heeft. „Ik ga er niet zomaar vanuit dat iemand anders de dingen net zo goed organiseert als ik.” En daarom heeft ze haar crematie inmiddels tot in de finesses geregisseerd, in nauw overleg met haar gezin.

Ze toont de rouwkaart, waarvoor een goede vriendin een schilderij heeft gemaakt – helemaal af, alleen haar sterfdatum moet nog worden ingevuld. De muziek (’Afscheid nemen bestaat niet’ van Marco Borsato, een keuze van haar oudste zoon Mike), de hapjes na de plechtigheid, de dertig waxinelichtjes naast haar kist (voor elke peuter van ’t Hummeltje één) – haar afscheidsscenario is klaar, Van der End laat niets aan het toeval over.

Belangrijk component van dat scenario is de door de peuters beschilderde kist. Ouders noemen Van der End wel een ’moederkloek’. En dat klopt wel, vindt ze zelf: „Als de kinderen hier zijn, dan zijn het echt mijn peuters.” Ze heeft haar werk altijd met hart en ziel gedaan – en ze blijft naar ’t Hummeltje komen zolang ze kan, ’al moet de taxi me ophalen’. Omdat haar peuters zo’n grote rol spelen in haar leven, wilde Van der End ze ook graag betrekken bij haar dood.

En dus schreef ze alle ouders een brief, met de vraag of ze het goed vonden dat hun kinderen haar kistdeksel zouden beschilderen. Spannend vond ze dat, want als er ook maar één ouder bezwaar had gemaakt, dan zou Van der End haar wens hebben losgelaten. Maar iedereen ging akkoord en dus konden de kinderen met verf aan de slag.

Dat was, zegt Van der End, een vrolijke bedoening: „Wij weten dat dit het deksel van een doodskist is, maar de peuters zien dit gewoon als een schilderij.” Een meisje in prinsessenrok komt even bij de tafel staan: „Kijk eens”, zegt ze trots, terwijl ze wijst naar een knalroze handje van verf: „Dit is mijn handafdruk!”

Voor de kinderen zijn ’ziekte’ en ’dood’ abstracte begrippen, al lijkt de kleine Silke wel een beetje te snappen wat juf Elvira mankeert. „Jij hebt kanker, hè,” zei ze laatst. „En als je niet hoeft te spugen, dan kom je bij ons.” Sommige peuters hebben al eens een opa of oma of huisdier verloren, vertelt Van der End: „Ze weten dat je ophoudt met ademen als je doodgaat en dat je in een kist gaat. Maar dat je dan echt nooit meer terugkomt, dat realiseren ze zich niet.”

Toch is het volgens haar goed om open te zijn over de dood, ook tegen kinderen van twee of drie jaar oud. Want de dood hoort bij het leven, ook bij dat van hén – ’Geef een kind een goudvis en die sterft’.

Doodgaan is niet eng, wil Van der End uitstralen. Zelf heeft ze haar naderende einde geaccepteerd, ze praat er eerlijk en makkelijk over en is heel benaderbaar voor de kinderen. Die durven haar van alles te vragen, zoals: ’Hoe moet het nou met jouw eigen kindjes als jij er niet meer bent?’ Voor dat probleem wist peutermeisje Silke overigens wel een oplossing: de man van de juf moest maar gauw gaan sparen, zodat hij straks een nieuwe mama kan kopen. Prachtig vindt Van der End die peuterlogica: „Zij denkt gewoon: kinderen zonder mama, dat kán niet.”

In peuterspeelzaal ’t Hummeltje is het inmiddels bijna half twaalf, tijd voor het ’Tikkietakkielied’ en het allerlaatste voorleesboekje in de kring. Een jongetje mag kiezen en pakt – toevallig maar waar – ’Lieve oma Pluis’, waarin Dick Bruna de dood van oma Pluis schetst.

Geconcentreerd luisteren de kinderen naar het begeleidende verhaal: „Oma lag gewoon in bed, hoor / maar het was de laatste keer / ’t Was net of zij lag te slapen / maar zij ademde niet meer.” Het levenloze lichaam, de kist, de begrafenis, de grafsteen waarop Nijntje bloemetjes plaatst – het hele rouwproces komt in Bruna’s heldere woorden en kleuren op peuterniveau voorbij.

’Zielig voor Nijntje!’ vindt een meisje met vlechtjes als het boekje uit is. ’Mijn oma is óók in de hemel!’ roept een jongetje stoer. Daar gaat de juf straks ook naar toe, legt Van der End uit: „En als ik er ben, dan ga ik op een sterretje zitten.” Dat vinden de kinderen prima.

Al is één peuter ineens bang dat het zo druk wordt in de hemel dat daar straks geen plaats meer is: „Elvira, je mag niet op mijn sterretje gaan zitten hoor!”

mailIcon print |