*

 

Vingboons

Door: redactie − 27/01/07, 00:00

Iedere reis begint met een blik op de kaart. Daar hebben we er thuis dozen vol van: gebruikte plattegronden van steden, stukgevouwen autokaarten, wandelkaarten, regiokaarten, landenkaarten. Een Bartholomew van Malta & Gozo, een Euro-regionalkarte van het Thüringer Wald, een Visitor’s map van het Hluhluwe Umfolozi Park.

Die dozen zijn ook een beetje nagelaten reisdocumenten. Ze zeggen dat je hier geweest bent, kijk maar, je hebt met balpen een kruis gezet bij die straat, een cirkel om die stad, een pijl langs die route. Oud zijn ze al, die kaarten. Ze zijn gedateerd en onbruikbaar, maar toch, je gooit ze niet weg. Ze zijn je eigen spoor door de wereld.

Ik hou van kaarten, maar je hoeft niet van ze te houden om toch, vanaf vandaag in de Kunsthal in Rotterdam, iets heel moois te gaan zien. Daar hangen – op een bijna intieme tentoonstelling – oude, zeventiende-eeuwse kaarten (maar niet alleen kaarten!), die met elkaar gemeen hebben dat ze allen met de hand zijn getekend door één Amsterdamse kaartenmaker en diens staf. Johannes Vingboons heet hij en ik had nog nooit van hem gehoord. Blaeu, ja, die is bekend, dat was de grote kaartenbaas van de VOC. Vingboons was een van zijn toeleveranciers. En hij was meer dan een kaartenmaker. Hij was ook tekenaar en aquarellist. En nu wordt het spectaculair, want daar in die Kunsthal hangen naast die kaarten tientallen aquarellen van kustlijnen, handelsplaatsen, forten en havens van de Verenigde Oost-Indische en de West-Indische Compagnie, al de vestigingsplaatsen van ’s werelds eerste multinational.

Vingboons en zijn mensen vervaardigden ze, maar zonder ooit Amsterdam te verlaten: ze kopieerden schetsen en gravures van VOC-bemanningen, verfraaiden ze met schepen, romantische boomgroepen en blauwe luchten en lieten ze samen met de kaarten inbinden in dure sieratlassen, die via Blaeu en diens contacten hun weg vonden naar rijke kooplieden en aristocraten. Van die atlassen zijn nog maar enkelen over en de allermooiste is – bij hoge uitzondering – in de Kunsthal te zien. Driedelig is hij en afkomstig uit de bibliotheek van het Vaticaan, waar de door de Zweedse koningin Christina nagelaten delen sinds 1689 als kroonjuwelen werden bewaard. Dat ’kroonjuwelen’ is een aanduiding van Martine Gosselink, de kunsthistorica die in opdracht van het Nationaal Archief de tentoonstelling samenstelde en er een prachtige catalogus bij schreef.

Ze staat erbij als de atlassen in Rotterdam uit hun kisten worden gehaald en op tafel worden opengelegd. Gehandschoende handen slaan behoedzaam de pagina’s om en we vergapen ons aan een onwaarschijnlijke kleurenpracht, zo fris als de brochure van een reisbureau. „No flash!”, roept een Italiaanse conservator als ik een detailfoto van een magnifiek zeilschip maak.

Kroonjuwelen.

mailIcon print |