Staatssecretaris Clémence Ross vindt dat de WMO wel degelijk grote voordelen heeft. „Gemeenten kunnen nu veel beter inventariseren wat echt nodig is. Daardoor kunnen ze gerichter hulp bieden.”
De Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) is niet meer dan een bezuinigingsoperatie, was in de aanloop naar de invoering van de wet veelvuldig te horen. En ook: de wet heeft tot doel de zorg zoveel mogelijk op de schouders van familie, buren en vrienden te schuiven.
„Ik begrijp niet waar die argwaan tegen de WMO toch steeds vandaan komt”, zegt staatssecretaris Clémence Ross in haar Haagse werkkamer. „Mij wordt verweten dat ik de problemen van de zorg over de schutting gooi bij gemeenten. Dat is onzin. De gemeenten hebben een miljard euro gekregen om de WMO op poten te zetten. Geld is trouwens het probleem niet, dat is er wel. Veel moeilijker is het om in de toekomst, als de vergrijzing op een hoogtepunt is, genoeg personeel te vinden.”
De WMO is een maand oud en Ross kan tevreden zijn. Het merendeel van de gemeenten heeft de aanbesteding van de huishoudelijke hulp goed gedaan. „Thuiszorgorganisaties vreesden voor massaontslagen, maar dat is niet uitgekomen”, stelt de staatssecretaris vast. Een van de grootste welzijnsoperaties lijkt geruisloos te worden ingevoerd. Gemeenten hebben een loket, waar burgers alle soorten van hulp kunnen vragen. In haar laatste dagen als demissionair staatssecretaris wil ze nog een paar zaken regelen. Zo krijgt de mantelzorger het beloofde extraatje van 250 euro en wil Ross aan de slag met het creëren van meer opvangplekken in verpleeg- en verzorgingshuizen voor tijdelijk verblijf voor ernstig zieke mensen. Dit om mantelzorgers te ontlasten wanneer zij dat nodig hebben of voor mensen die na een zware operatie nog enige tijd niet voor zichzelf kunnen zorgen en opvang nodig hebben.
Ross verwacht veel van de nieuwe wet. Het overhevelen van de huishuishoudelijke hulp naar gemeenten is nog maar een begin. Gemeenten voeren van oudsher al een aantal welzijnstaken uit, maar zullen daar meer samenhang in moeten brengen. „De WMO-wethouder gaat wel over veertig procent van het gemeentefonds. Dat is niet alleen voor de huishoudelijke hulp. Hij moet de leefbaarheid van de buurten verbeteren, maatschappelijke opvang regelen, jeugdbeleid voeren. Met de WMO kun je maatschappelijke taken koppelen. Wanneer iemand zich aan het gemeenteloket meldt voor hulp en er vervolgens een huisbezoek wordt gebracht, dan kunnen gemeenten goed inventariseren wat er echt nodig is. Vroeger zorgden gemeenten al voor voorzieningen als trapliften, maar nu kunnen ze nog gerichter hulp bieden. Je ziet dan beter of iemand die om huishoudelijke hulp vraagt ook gebukt gaat onder eenzaamheid. Een gemeente kan daar iets aan doen. Dat geldt ook voor gezinnen met schulden of hulp aan mantelzorgers die door hun hoeven dreigen te zakken. Er zijn mantelzorgers die niet eens weten dat ze mantelzorger zijn en geen enkele ondersteuning vragen terwijl ze die wel nodig hebben. Daar speelt soms ook een schuldgevoel mee. Partners of kinderen die geen hulp van buiten durven te vragen omdat hun naaste alleen door hen gewassen willen worden. Gemeenten moeten meer werk maken van het welzijnsbeleid.”
Sommige gemeenten zijn daar al heel ver mee, maar de meeste moeten nog aan een samenhangend beleid beginnen. De nieuwe WMO-wethouders kunnen het niet laten bij een paar subsidies aan welzijnsorganisaties voor ouderen, gehandicapten, daklozen of jongeren.
De staatssecretaris verwerpt de kritiek dat ze wat al te veel naar Zweden heeft gekeken. Daar is al jaren geleden een nieuwe zorgwet ingevoerd, waarin de verpleging geheel op lokaal niveau is geregeld. „Ik heb met de WMO nooit het Zweeds model voor ogen gehad. Daar is de zorg doorgedecentraliseerd.” Toch streeft ook Ross ernaar dat met name ouderen langer thuis blijven wonen. In Zweden is dat al langer praktijk en de regering daar ziet de problemen op zich afkomen. De zorg is niet alleen verschraald, maar ook de kosten voor de dag- en nachtverpleging van ernstig zieken die thuis wonen, zijn gigantisch gestegen. „Alle zorg aan het lijf blijft in Nederland een taak van zorgverzekeraars en rijksoverheid. Het is nooit mijn bedoeling geweest dat aan gemeenten over te laten.”
Het is wel zaak de gemeenten goed in de gaten te houden, aldus Ross. „De inspectie gaat controleren of gemeenten zich houden aan het verstrekken van huishoudelijke hulp. Maar ook op andere prestatievelden als de leefbaarheid in de buurten of de ondersteuning van de mantelzorgers is oplettendheid nodig. Het is ook aan de burgers om dat te doen.”
Of de WMO uiteindelijk de zorg op maat gaat bieden of toch een papieren tijger blijkt te zijn, zal over een paar jaar pas duidelijk worden. Voor de wethouders in de grote steden zal het bundelen van de informele zorg de zwaarste klus worden. Amsterdam heeft geld gestoken in de oprichting van een vrijwilligersacademie om grip te krijgen op de informele zorg in de anonieme stad. Andere steden proberen met vraag- en aanbod internetsites betere burenhulp tot stand te brengen. Wie zelf de boodschappen niet meer kan doen of een tegenspeler nodig heeft bij het schaken kan een oproep doen. Zo zullen gemeenten meer moeten doen om de zelfredzaamheid van hun inwoners te vergroten. „Als mensen in hun veilige omgeving kunnen blijven wonen en hun sociale contacten behouden blijven, dan voorkomt dat snelle achteruitgang. Daar ben ik van overtuigd.”
De staatssecretaris ziet nu al een verschuiving in de ouderenzorg. „De stad vergroent. Er ontstaat nu al leegstand in de verzorgings- en verpleeghuizen in de grote steden, terwijl er in sommige provincies een tekort is aan plaatsen.” Na het grote congres vandaag in Ahoy in Rotterdam zal Ross haar WMO moeten overdragen aan de nieuwe staatssecretaris voor vws. „Ik zal het op afstand blijven volgen. Natuurlijk vind ik het jammer dat ik het moet loslaten net nu de WMO echt gaat werken, maar er zijn zoveel andere leuke dingen te doen in het leven.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.