Sommige politiediensten willen graag wat meer handelingsvrijheid, maar minister Hirsch Ballin voelt er niets voor omstreden opsporingsmethoden weer toe te staan.
De demissionaire minister van justitie maakte dat gisteren duidelijk tijdens een Tweede Kamerdebat over zijn begroting. Dat betekent: geen criminele burgers laten infiltreren in misdaadbendes en geen partijen drugs bewust op de markt laten komen in de hoop dat zo de grote bazen kunnen worden achterhaald.
Begin januari pleitten enkele politiefunctionarissen voor het verruimen van de regels voor het toepassen van opsporingsmethoden. Zo zou topman Driessen van de Nationale Recherche graag weer burgerinfiltranten willen kunnen inzetten. Korpschef Van Zunderd van het Korps Landelijke Politiediensten opperde dat de handen van de opsporingsdiensten wat minder strak gebonden zouden moeten zijn.
In 2000 is in de wet precies vastgelegd welke opsporingsmethoden politie en justitie mogen inzetten in hun jacht op criminelen. Die precieze regels zijn het gevolg van een parlementaire enquête, die de Tweede Kamer in de jaren negentig hield naar de ’cowboy-methoden’ die de opsporingsdiensten inzetten. De ruzie tussen politiekorpsen die daaraan vooraf ging, leidde in 1994 tot het aftreden van Hirsch Ballin (toen ook op Justitie) en zijn collega Van Thijn (binnenlandse zaken).
Als het aan Hirsch Ballin ligt, verandert er niets aan de regels. Alleen bij de bestrijding van terrorisme (in de jaren negentig nog geen acuut probleem in Nederland) is het inzetten van een burgerinfiltrant toegestaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.