In de hal van de bejaardenflat op de hoek zie ik mevrouw J. bezig. Ze haalt de post uit haar vakje. Dat heeft ze kennelijk al een tijdje niet gedaan, want het is een hele stapel. Ze staat er mee in haar hand en je ziet haar denken: „Wat moet ik in hemelsnaam met al die brieven?” Na lang weifelen komt ze op een briljant idee. Ze verdeelt de brieven zo eerlijk mogelijk over alle brievenbussen in het halletje en zoekt met een opgelucht gemoed de lift weer op.
Bij het betreden van de artsenkamer blijkt het werk reeds in volle gang. Collega K., altijd op de bres voor het rationalisme, schudt collega D. zachtjes dooreen op zoek naar vaste grond in haar overigens met mate beleden aanhankelijkheid aan de Bijbel. „Stel, je toont iemand een gebakken ei en daarna een fiets, met de vraag hoe die fiets uit dat ei zou kunnen groeien. Nou, dat er uit de Bijbel zoiets als een gereformeerde kerk kon ontstaan is net zo voor de hand liggend als de geboorte van een fiets uit een gebakken ei.”
Waarop D.: „Ja, maar uit een gebakken ei kan natuurlijk niks meer komen, want dat ei is stuk!”
K. begint zachtjes te kreunen. Ik stel voor dat we gaan genezen.
Op de afdeling loop ik langs de kamer van meneer H. die reeds lange tijd bezig is met ’achteruit gaan’. Je leest soms wekenlang in de rapportage dat meneer ’weer verder is achteruitgegaan’ en je begint je af te vragen of er nog ruimte over is voor die man om zich nog verder naar achteren in te bewegen.
Die ruimte blijkt er te zijn. Hij zit half overeind in bed, blauwgrijs gelaat van ademnood, verwilderde ogen, zinloos plukken aan de dekens. Vreselijke doodsstrijd, zei men vroeger. Terminaal delier, zegt de palliatief geneeskundige. Je ziet het nogal eens bij sterfbedden. Omstanders maken er graag een worsteling van met demonen uit het verleden, of met dreiging vanuit de wereld voorbij het graf.
Maar van mij hoeft het niet.
Op een drafje regel ik medicatie om die man van dek te halen, buiten het bereik van de storm te brengen, zodat hij rustig zijn laatste adem kan uitblazen. Zuster Mieke fronst bij de door mij gewenste hoeveelheden. Maar ik hou vol: „Katholieke dosering graag, niet dat benauwde, we kunnen het betalen!”
Het duurt even, maar dan komt de vraag toch: „En wat is een protestantse dosering dan?”
„Protestantse dosering? Eh, dan mag er wel een deken over de pijn, maar daar doorheen moet je de scherpe punten goed blijven voelen, want, stervend of niet, het is niet de bedoeling dat het leven ooit een makkie wordt.”
Inmiddels is er een ander probleem gerezen. Mw L., 87 jaar oud, diep dement, eet en drinkt niet meer. Ik had nog wel contact met haar via een dagelijkse gretige handdruk waarbij ze me altijd breed glimlachend aankeek terwijl haar bovengebit langzaam omlaagzakte. Maar het is nu voorbij en we moeten zoeken naar een goed levenseinde. Er is een onverwacht probleem, dat haar dochter mij uitlegt: „Mijn man is Italiaan, katholiek, u begrijpt het wel. Hij heeft het er moeilijk mee dat we niets zouden doen. Hij vindt vanwege zijn geloof dat wij dit soort besluiten niet mogen nemen.”
Op het schaterende voorhoofd van zuster Mieke staat het nu in duidelijke letters geschreven: „Waar blijf je nou met je katholieke dosering?”
Ik probeer een antwoord: „Ik zou het erg op prijs stellen als uw man mij de bijbelpassage zou kunnen aanwijzen waar staat dat je mensen zo lullig mogelijk moet laten doodgaan. En wat besluiten betreft. Er is inderdaad een soort besluit dat wij niet mogen, durven of kunnen nemen, en dat is de onbegrijpelijke beslissing om uw moeder de ziekte van Alzheimer te geven. Dat besluit is echter al genomen, door het Noodlot, of door God, het is maar voor welke ondraaglijkheid je wilt kiezen. Maar ik stel voor dat wij geen zout in die wond gaan strooien. Zou u dat tegen uw man willen zeggen?”
Mijn toon is ten onrechte scherp geworden en ze stelt me gerust: „U hoeft mij nergens van te overtuigen hoor, ik ben katholiek geworden, om mijn man, en trouwens, mijn moeder, die is helemaal niet katholiek of wat dan ook.”
Wat een meevaller, moeder is niet katholiek en mag dus zonder onnodige ellende dood.
Aan het eind van de middag beland ik bij mevrouw G. op haar kamer. Haar zoon vroeg haar laatst: „Mam, zou je niet naar de hemel willen?” Waarop zij hem liefkozend in zijn arm kneep met de woorden: „Alleen als jij me brengt, lieverd.” Zij heeft veel goede boeken staan, genre Memoires van Jelena Bonner. Inderdaad, Sacharovs vrouw. Allemaal voorbij.
„Maar in één boek lees ik nog altijd”, zegt ze ongevraagd, “mijn bijbel.”
Het lijkt wel bijbeldag vandaag. Ik vraag haar: “Wat vindt u daar dan in?”
Ze antwoordt met een serene glimlach: “Het is me vader en me moeder.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.