In de achttiende eeuw werd opvallend veel over geluk geschreven. Dat had alles te maken met de Verlichting: geluk was niet langer gereserveerd voor het hiernamaals. Maar er zijn meer verklaringen, schrijft Peter Buijs.
Er is een Chinese wijsheid die zegt dat als je even gelukkig wil zijn, je naar de fles kunt grijpen. Wil je langer gelukkig zijn, neem dan een vrouw. En als je blijvend gelukkig wil zijn, neem dan een tuin.
De fles en de tuin ontbreken bij Buijs. Maar het huwelijks geluk heeft in zijn onderzoek wel een plaats gekregen, evenals vriendschap en huiselijkheid. Dat zijn echter latere duidingen van het geluk, na ongeveer 1750, als geluk een meer persoonlijk (en ook dynamisch) karakter krijgt. Vóór het midden van de achttiende eeuw is het denken over geluk meer abstract en werd het eerder gelijkgesteld met deugdzaamheid (een rustig gemoed) en tevredenheid: een toestand van innerlijke rust en beperking van je begeerten.
Zoveel wordt uit de studie van Buijs wel duidelijk: er valt voor het geluk geen eenduidig recept uit te schrijven. Men heeft in de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek in de jaren 1796/97 nog gedebatteerd over de vraag of het streven naar geluk in de grondwet moest worden opgenomen, zoals in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (’the pursuit of happiness’) en de Franse ’Déclaration des droits de l’homme et du citoyen’, maar men heeft er hier vanaf gezien omdat men het er niet over eens kon worden wat geluk nu eigenlijk is.
Het is opvallend dat er in de achttiende eeuw zoveel over het geluk is geschreven. Daarover waren we al geïnformeerd door de uitvoerige studie van Robert Mauzi uit 1960, maar hoe men hier in de Republiek daarover dacht was tot nog toe niet verkend; een gebied dat nu door Peter Buijs in kaart is gebracht. Hij heeft daarvoor zo’n 1600 uiteenlopende bronnen geraadpleegd, zelfstandige publicaties maar ook tijdschriftartikelen, boekbesprekingen en preken, en dat alles methodisch geordend.
De vraag die natuurlijk meteen opkomt, is waarom er zoveel over het geluk in de achttiende eeuw werd geschreven. Alhoewel dat niet zo gemakkelijk te beantwoorden is, wijst Buijs op drie ontwikkelingen die daarbij een rol speelden. We werden welvarender en voor sommigen daardoor ook gelukkiger (anderen verwierpen echter de enigszins banale gelijkstelling van geld en geluk). Wat ook meespeelde was een verandering in de intellectuele cultuur, namelijk het toenemend geloof in de vooruitgang en vervolmaking van mens en maatschappij.
En als derde noemt Buijs een ontwikkeling in de communicatiecultuur: de toename van tijdschriften (vooral zogenaamde ’Spectators’, beschouwelijke tijdschriften met namen als ’Opmerker’, ’Denker’ of ’Philantrope’; een bron waaruit Buijs vaak heeft geput), koffiehuizen, genootschappen (zoals ’Felix Meritis’: ’gelukkig door verdienste’), waardoor het debat over het geluk een bredere maatschappelijke bedding kreeg.
Er is nog een vierde verklaring voor de toename van het ’geluksdenken’. Ergens schrijft Buijs dat het streven naar aards geluk voor 1650 iets ’clandestiens’ had. Het was bijna onethisch om een plezierig leven te verdedigen omdat geluk eerder een uitgesteld pensioen in het hiernamaals betrof. De groeiende secularisering van Europa ten tijde van de Verlichting moet dan ook wel een rol hebben gespeeld in de toename van het geluksdenken.
In zijn hoofdstuk over ’De hemel op aarde’ gaat Buijs daar ook wel op in en benadrukt hij dat christelijke auteurs het denken over geluk steeds minder uitsloten: een goed christen hoeft ’geen Kluizenaar nog Wout-broeder te zyn’ citeert hij daar een scribent. Maar dat gaat over de vereniging van christelijk en seculier geluksdenken; hoe zich het tweede ontwikkelde als alternatief voor het eerste blijft nog wat onderbelicht.
Al met al weten we dankzij ’De eeuw van het geluk’ waarin men in onze achttiende eeuw dat geluk zocht en welke verschuivingen daarin optraden. In zijn Voorwoord merkt Buijs op dat hem schertsend wel eens werd gevraagd hoe het nu zit met zijn eigen geluksbeleving. Een geslaagde studie als deze zal daar wel aan bijdragen. En anders kan hij altijd nog een tuin nemen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.