Zou ik leraar willen worden? Dat vraag ik mezelf wel eens af, als ik zie hoe groot de tekorten zijn. Lesgeven is een prachtig vak. Met jongeren werken is niet altijd even gemakkelijk, maar het is stimulerend. Het is geweldig om kinderen liefde voor een vak bij te brengen. Als dat goed gaat, hebben zij er hun hele leven profijt van. Waarom solliciteer ik dan niet onmiddellijk op een van de vele vacatures?
Er zijn ook belemmeringen, helaas. Die temperen – ondanks alle mooie aspecten – mijn enthousiasme. . . Zo’n belemmering is niet dat leraren geen carrière kunnen maken. Dat het werk door de tijd min of meer hetzelfde blijft, heeft de leraar gemeen met veel andere professionals. Ook advocaten, tandartsen of vertalers doen hun hele leven hetzelfde. De carrière ligt niet in het rouleren tussen functies, maar in de persoonlijke ontwikkeling. Ze worden steeds beter in hun vak. Daar moeten ze hun bevrediging uit halen. Wie uitgekeken is, moet een andere werkgever zoeken. Jobhoppen is normaal: talloze mensen doen het.
Wat voor mij wel een obstakel zou vormen, zijn de schoolboeken. Er is er bijna geen een, waaruit ik les zou willen geven. Ze zijn meestal gebaseerd op twee uitgangspunten, die ik niet deel. Het eerste: kinderen leren beter als de leerstof aansluit bij hun interesses. Ten tweede: die interesses zijn beperkt tot auto’s, kleren, eten, vakantie en vooral de puberliefde. Zoenen, een vriendje de bons geven, een bestelling doen, zelfs tippelen, dankzij de schoolboeken beheerst onze jeugd het bijbehorende vocabulaire in alle moderne talen. Als docent zou ik weinig zin hebben om dat in te prenten. Het voegt niets nuttigs toe aan wat ze al weten. Ik zou hun juist uitzicht willen bieden op nieuwe mogelijkheden, Een nieuwe horizon. Maar de moderne schoolboeken, met hun veelkleurige werkboeken, geven weinig ruimte voor verbreding.
En dan de werkomstandigheden. Wat me daar zou storen, is het gebrek aan invloed van leraren op de werkvloer. Hoe anders zijn scholen georganiseerd dan hun tegenhangers, de professionele dienstverleners in de private sector. Dit behoeft uitleg. Ik zie een school als een organisatie van professionals. Het werk wordt uitgevoerd door vaklieden. Die daarbij een grote mate van zelfstandigheid, misschien zelfs eigenwijsheid hebben. Dat is ook nodig. Want als een leraar voor de klas staat, kan niemand hem te hulp schieten. Hij staat er alleen voor. Wat dat betreft lijken leraren op professionals in de private sector, zoals advocaten, ingenieurs en adviseurs. Leiding geven aan professionals is berucht moeilijk. Zij werken het beste in platte organisaties, waarbij zij zelf veel zeggenschap hebben. Zo gaat dat ook in de private sector. Neem bijvoorbeeld advocatenkantoren. Daar ligt de zeggenschap bij de ervaren advocaten. Meestal benoemen zij uit hun midden directeuren, die voor enkele jaren aanblijven. Daarna kiezen zij weer andere collega’s voor die functie. Dit werkt redelijk goed. Er is weinig afstand tussen de directie en de werknemers. Vernieuwingen komen bij zulke organisaties meestal vanuit de basis. Als alle advocaten, of het merendeel, ermee instemmen, worden ze doorgevoerd. Anders niet. Sommige kantoren doen het bijzonder goed. Zij spelen in op de behoeften, komen met originele ideeën en vernieuwen. Andere blijven door de tijd heen min of meer hetzelfde. Er is variëteit.
Bij scholen wordt echter steeds meer nadruk gelegd op hiërarchie. Volgens de nieuwste codes moeten ze een raad van bestuur hebben, die weer gecontroleerd wordt door een raad van toezicht, geformeerd uit buitenstaanders. Dit model wordt afgekeken van bedrijven met veel aandeelhouders, zoals koekjesfabrieken en grote multinationals. In zeggenschap voor leraren voorziet het niet. De invloed van de leraar op zijn werkomgeving is hierdoor beperkt. Ze bestaat alleen maar voor zover de directie het toelaat. Veranderingen komen in dit bestuursmodel meestal van boven. Ze worden opgelegd door de directie, al dan niet op last van de overheid. Alle leraren moeten zich aanpassen.
Het zou ook anders kunnen. Neem nu het lerarentekort. Van hogerhand worden nu allerlei oplossingen bedacht. Een officiële commissie komt met maatregelen. Dat het geld gaat kosten, is duidelijk. Zo erg is dat niet, want wij geven veel minder uit aan onderwijs dan de ons omringende landen. Maar waarom geven wij scholen niet dat extra geld en laten wij hen, onder auspiciën van de leraren , die tekorten oplossen? Net zoals het bij een advocatenkantoor zou gaan? Leraren zijn creatief en betrokken genoeg om oplossingen te bedenken. De ene school kan dan besluiten de aanwezige leraren langer te laten werken, een andere kan gepensioneerden terugroepen. Een derde zal intensieve herintredingstrajecten organiseren. En weer een ander zal sommige salarissen ophogen. Misschien zijn er zelfs scholen die leraren van de basisschool als vakdocent in het voortgezet onderwijs neer zullen zetten, een recent plan van het ministerie. En wie weet, komt er een school met een mooi aanbod voor mensen zoals ik.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.