*

 

Lerarentekort komt er écht

Hanne Obbink − 08/09/07, 00:00

Het lerarentekort viel tot nu toe mee. Dat gaat veranderen. De situatie is nijpender dan ooit, zeggen betrokkenen. En dat geldt vooral ook voor verpleeg- en verzorgingshuizen.

Het onderwijs is als een dolgedraaide kernreactor: als er niet snel iets gebeurt, dreigt een meltdown van het hele stelsel. In die schrille tonen waarschuwde de organisatie voor industrielanden Oeso aan het begin van deze eeuw voor de mogelijke gevolgen van het lerarentekort.

De prognoses logen er niet om. Beleidsmakers, onderzoekers en vakbonden waren het erover eens dat de tekorten inderdaad tot een crisis zouden kunnen leiden. Zo’n 30.000 leerkrachten te weinig in het basisonderwijs, misschien wel 20.000 in het voortgezet onderwijs, dat waren de cijfers waarmee rond 2000 serieus gerekend werd.

Het liep anders. Scholen moesten weliswaar een paar jaar lang alle zeilen bijzetten om genoeg mensen voor de klas te krijgen. En inderdaad, er werden wel eens klassen naar huis gestuurd omdat er geen leerkracht voorhanden was. Maar inmiddels bestaat er weer evenwicht op de arbeidsmarkt: weinig werkloosheid, weinig onvervulde vacatures.

Maar dat blijft niet zo, waarschuwt het ministerie van onderwijs. Op bijna net zo indringende toon als rond 2000 wordt nu voorspeld dat bij aanhoudende economische voorspoed in 2012 wellicht 3 procent van de banen in het basisonderwijs onbezet zullen blijven en zelfs 10 à 12 procent van de banen in het voortgezet onderwijs.

Moeten we die prognoses nog serieus nemen, ook nu we weten dat de eerder voorspelde rampspoed uitbleef? Toch maar wel, zegt Andries de Grip, als hoogleraar verbonden aan het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht.

„Dat eerdere prognoses ernaast zaten, is goed te verklaren. Dat is ook de bedoeling ervan: ze stellen de politiek in staat om te zorgen voor beleid waardoor ze niet uitkomen”, legt De Grip uit. „Maar met name in het voortgezet onderwijs is de situatie nu nijpender dan rond 2000.”

De belangrijkste oorzaak dat de tekorten de afgelopen jaren meevielen, is de economische recessie die na 2000 inzette. Die zorgde ervoor dat er buiten het onderwijs plotseling minder banen te vergeven waren. De school verruilen voor het bedrijfsleven kon bijna niet meer. Dat was opeens ook niet zo aantrekkelijk – want een baan in het onderwijs gaf zekerheden die het bedrijfsleven niet kon bieden.

Ook jongeren bleken daar gevoelig voor. De zekerheid van een baan in tijden van economische malaise lokte duizenden studenten naar de lerarenopleidingen, met name naar de pabo’s – zoveel zelfs dat er nu weer werkloosheid onder net afgestudeerde leraren ontstaat.

Maatregelen van het ministerie hielpen ook. Het maakte veel werk van zij-instromers: mensen van buiten het onderwijs die dankzij nieuwe regels snel hun lesbevoegdheid konden halen en intussen alvast voor de klas mochten. In vijf jaar kwamen er 4000 de scholen binnen. Ook werden mensen benaderd die ooit voor de klas hadden gestaan. 4500 oud-leraren lieten zich overhalen terug te keren.

De Grip wijst erop dat tekorten ook aan het oog onttrokken werden door de groei van het aantal onbevoegde leraren. Zo werd het tekort aan leraren voor een deel omgezet in een tekort aan góede leraren.

„Daarnaast gingen oudere leraren later met pensioen, traden vrouwen met kinderen minder uit, gingen deeltijders meer werken”, zegt hij. „Ten slotte kwam er een nieuwe mbo-opleiding, die onderwijsassistenten afleverde. Bij elkaar opgeteld is dat genoeg gebleken om de tekorten binnen de perken te houden.”

Zo eenvoudig zal dat de komende tijd niet zijn, vervolgt De Grip. Er is namelijk één hard gegeven waarmee het onderwijs hoe dan ook te maken krijgt: de sterke vergrijzing. Van de hele werkende bevolking is 10 procent ouder dan 55 jaar. Maar in het basisonderwijs is dat 15 procent, in het voortgezet onderwijs zelfs 21 procent. Hele hordes leraren in het voortgezet onderwijs gaan dus binnen tien jaar met pensioen.

„Wij geven in onze prognoses nooit absolute cijfers, daarvoor is de dynamiek van de arbeidsmarkt te groot”, aldus De Grip. „Maar dat de knelpunten zeer groot zullen worden, vooral in het voortgezet onderwijs en in het beroepsonderwijs, durven we wel te zeggen. Zeker als de economie het goed blijft doen. Want leraren in techniek en economie, maar ook in andere vakken, kunnen ook goed aan de slag in bedrijven.”

Daar komt bij dat een aantal maatregelen dat de afgelopen jaren is genomen, niet nóg eens ingezet kan worden. De stille reserve – hogeropgeleiden die niet werken – ís al aangesproken; wat daar nog van over is, zal ook door andere werkgevers benaderd worden. „En op herintredende vrouwen hoeven we ook niet te rekenen”, zegt De Grip. „Want vrouwen die niet zijn uitgetreden toen ze kinderen kregen, kunnen later ook niet herintreden.”

Het verlossende woord moet nu komen van minister Plasterk. De door hem ingestelde commissie-Rinnooy Kan adviseert in elk geval meer geld uit te trekken voor lerarensalarissen; hoe hoger geschoold een leraar is, hoe beter hij betaald moet krijgen. De minister reageert pas op dit uitgelekte voorstel als het advies officieel openbaar wordt, aanstaande woensdag. De plannen van de commissie kosten één à anderhalf miljard euro. Volgens het regeerakkoord heeft Plasterk hoogstens één miljard te besteden.

mailIcon print |