*

 

Achter gesloten deuren

Wim Boevink − 28/06/07, 00:00

De roker, dat weten we allemaal, is in het publieke domein een tweederangs burger geworden. We vinden hem met heel zijn minderwaardige verslavingsgedrag terug in kantoorabri’s met afzuigkappen, bij walmende en morsige rookzuilen op perrons of gewoon bij winderige dienstuitgangen van bedrijven. Nog duikt hij op in cafés en restaurants, maar ook daar zijn zijn dagen geteld.

De roker is straks een thuisroker, veroordeeld tot een halfduister bestaan achter gesloten gordijnen. Van vijf eeuwen tabakscultuur is dan, onder invloed van een moordende gezondheidsmanie, weinig meer over.

Toch zijn er nog haarden van verzet. Ze zijn georganiseerd in kleine genootschappen, met geheime inwijdingsrituelen. Kijk bijvoorbeeld op de site van sigarenhandel P.G.C. Hajenius aan het Rokin in Amsterdam, ooit een vermaarde onderneming voor de elite, en nu virtueel alleen te bereiken na een leeftijdsverificatie – zoals bij een pornosite. Bij Hajenius kun je je – na de winkelsluiting – nog laten scholen in het genietend sigarenroken.

Je geeft je op en tikt in de avonduren vijf keer (drie keer snel, twee keer langzaam) tegen de voordeur, die dan knarsend opengaat en achter je weer schielijk wordt afgesloten. Dan word je door de prachtige monumentale winkel met al zijn marmer, brons en notenhout naar de Heerenkamer geleid, een kleine, gelambriseerde ruimte achterin het pand, waar portretten in olieverf hangen van de grondleggers van de onderneming, een tikkende staartklok en een oude kaart van tabaksplantages op Sumatra. Naast twee Chesterfieldbankjes staat er een gedekte tafel, dat wil zeggen met koffie, water, strookjes cederhout, aanstekers, lucifers en asbakken. Hier gaan dadelijk zes mannen aan hun gerief komen.

Want we zijn met z’n zessen, die avond. De voorganger heet Dick Veenstra, een schuilnaam vermoeden we. Hij laat ons een Senoritas opsteken, geheel naar eigen inzicht. We hannesen wat met aanstekers en cederhout en steken de sigaar aan als een sigaret. Helemaal fout. Een sigaar – ik verklap het maar – moet losjes boven een vlam gehouden worden, met de wijsvinger op het mondstuk, heel langzaam, want tabak moet schroeien, niet branden. Vervolgens kan eraan getrokken worden, voorzichtig en met pauzes. Niet inhaleren. Niet aftippen. En bij het omslagpunt, op zo’n tweederde van de sigaar, als de smaak bitter en gallig wordt, de sigaar wegleggen. Nooit uitdrukken.

Een sigaar roken is onthaasten. Veenstra, oud-erevoorzitter van sigarenclub Rust en Bedachtzaamheid, leidt ons na een tweede Senoritas en en een Corona nog even door de zaak. Langs de wand met sigarenkluisjes met de daarop koperen naambordjes. Hans Wiegel. Matthijs van Heijningen. Guus Hiddink. Stan Huygens. Het ziet er een beetje uit als een columbarium.

In de sigarenwereld is de urn nooit ver weg.

mailIcon print |