*

 

Falende ouders kunnen beter niet opvoeden

door Anouchka van Miltenburg − 23/01/07, 00:00

Als ouders niet goed zorgen voor hun kinderen, zou vaker en eerder ingegrepen moeten worden. Bijvoorbeeld door falende ouders het ’opvoederschap’ te ontnemen.

De jeugdzorg kan soms problemen rond kinderen onvoldoende oplossen. Tot teleurstelling van betrokkenen groeien er kinderen op in zeer onbevredigende situaties. In een enkel geval leidde dat tot een drama.

De samenleving roept, en daarmee de politiek, dat de jeugdzorg beter moet. Daarvoor moeten we het ook aandurven ver buiten de gebaande paden te treden. Bijvoorbeeld ’ouderschap’ in de wet anders te definiĆ«ren dan nu.

Nu beschouwt de wet ’de ouderlijke macht’ als een ondeelbare grootheid. Een ouder heeft die macht, kan er uitgezet worden, en kan hem ook weer helemaal terugkrijgen. Ouderschap kent echter veel aspecten: gevoelens van liefde voor een kind, de wens betrokken te zijn bij het leven van een kind of leuke dingen met een kind te doen, en ook de taak en het recht een kind op te voeden. Veel problemen rond kinderen kunnen gemakkelijker opgelost worden als dat laatste aspect, het opvoederschap, in de wet een aparte juridische status krijgt. Dat kan dan los van het ouderschap worden afgenomen of toegekend.

Ten eerste komt daarmee het belang van het kind echt centraal te staan. Een van de muren waar de jeugdzorg tegenaan loopt, is het spanningsveld tussen de Wet op de Jeugdzorg en het burgerlijk recht. De Wet op de Jeugdzorg vereist dat beslissingen over een kind worden genomen in zijn belang. Het Burgerlijk Wetboek gaat uit van het principe dat de natuurlijke ouders voor een kind zorgen, tenzij die dat op enig moment niet kunnen waarbij het schadelijk is voor het kind. Dan raken zij het ouderlijk gezag kwijt. Zij krijgen dat terug wanneer zij aantonen dat de problemen die eerder oorzaak waren van het verlies van zeggenschap, er niet meer zijn.

Doorslaggevend bij de beoordeling daarvan zou eigenlijk de ontwikkeling van het kind na de ontzetting uit de ouderlijke macht moeten zijn, niet de ontwikkeling die zijn ouders doormaakten. Rechters nemen in hun afweging weliswaar het belang van het kind mee, maar zijn uiteindelijk gehouden aan de wet die het recht van de ouder vooropstelt. Kinderen, die mogelijk al jaren gedijen in een pleeggezin, worden zo uit die veilige en stabiele omgeving gehaald.

Een juridisch opvoederschap daarentegen kan de rechten van de natuurlijke ouder afnemen en – eventueel pas na enige tijd – toekennen aan de pleegouders. Daarmee verbetert ook de rechtspositie van pleegouders. Zij kunnen er na toekenning van het opvoederschap vanuit gaan dat het kind bij hen blijft tot het volwassen is.

De natuurlijke ouder verliest dan weliswaar het recht het kind te mogen opvoeden, maar kan op basis van zijn ’ouderschap’ wel aanspraak maken op bijvoorbeeld informatie over en – indien verantwoord – omgang met het kind. Nu kan dit alles aan uit de ouderlijke macht gezette vaders en moeders worden ontzegd. Zij zijn daarvoor afhankelijk van welwillende instanties. Door deze verbetering van hun betrokkenheid bij het kind, blijft pleegzorg, ook wanneer het opvoederschap aan pleegouders wordt toegekend, wezenlijk iets anders dan adoptie.

De rechter zou in extreem ernstige situaties ook het opvoederschap al aan een ouder kunnen ontzeggen voordat een kind geboren is. Te denken valt aan ouders die al eerder gevaarlijk bleken voor hun kinderen en van wie het welhaast zeker is dat zij in herhaling vallen. Nu gaat de hulpverlening verstikkend om deze mensen heen staan. Pas als de ouders opnieuw ernstig de fout zijn ingegaan, kan de rechter ingrijpen.

Het wettelijk opvoederschap kan ook een uitkomst zijn voor ouders die niets met jeugdzorg te maken hebben, maar de opvoeding van hun kinderen anders dan standaard (moeten) organiseren. Zo kan bij gezinnen met bijvoorbeeld een stiefouder of twee lesbische moeders de niet-natuurlijke ouder het opvoederschap verkrijgen en daarmee rechtszekerheid.

Mijn idee lijkt eenvoudig. Mogelijk zijn er verborgen valkuilen. Hoe dan ook moet de toekomstige minister van jeugdzaken een grote stap doen in de verbetering van de uitvoering van de Wet op de Jeugdzorg. Daarnaast is het nodig dat de regering belang en rechten van kinderen verregaand vastlegt in de wet. Uitwerken van het idee van ’opvoederschap’ kan een goede eerste stap zijn.

mailIcon print |