Vrouwen in de vrouwenopvang zitten zo opeengepakt dat dit leidt tot spanningen, roddel en achterklap. De vrouwen, vaak op de vlucht voor huiselijk geweld, komen daardoor niet op adem.
Dat concluderen onderzoekers van het Trimbos-Instituut en het Universitair Medisch Centrum Sint Radboud in Nijmegen. „Het gaat om gestapeld leed op de vierkante centimeter”, zegt onderzoekster Judith Wolf. „Hierdoor ontstaat ongelooflijk veel extra stress.”
Voor vrouwen is het vaak reden om de opvang te verlaten. Bovendien hebben meegekomen kinderen te lijden onder de sfeer. Ook is het hulpaanbod niet aangepast op de steeds ingewikkelder problemen van de vrouwen en hun kinderen. Bijna alle vrouwen zijn slachtoffer van vaak seksueel geweld. Ze zijn getraumatiseerd en depressief.
Zestig procent van de vrouwen is allochtoon. Vrouwen die in het buitenland zijn geboren zijn het slechtst af, door bedreiging en boosheid van de eigen familie. Soms is hun verblijfstatus onzeker, of zijn ze uitgehuwelijkt en vervolgens mishandeld of seksueel misbruikt. De vrouwen spreken nogal eens slecht Nederlands en snappen niets van de Nederlandse samenleving.
Behalve psychische hulp, schiet ook hulp bij praktische problemen, zoals het vinden van huisvesting of een baan, volgens de onderzoekers tekort. Bovendien houdt de opvang zich strikt aan de verblijfsduur van gemiddeld vijf maanden, zonder te kijken of de problemen zijn opgelost. Vrouwen zien zich nogal eens gedwongen elders in het land opnieuw bij een van de 39 opvanghuizen voor vrouwen aan te kloppen. De onderzoekers zien hierdoor ’draaideurslachtoffers’ ontstaan.
Overigens slaagt de opvang er wel in vrouwen een veilige omgeving te bieden. Zodanig zelfs dat een deel van de vrouwen de beschermende maatregelen overdreven vindt.
Volgens onderzoekster Wolf zijn de tekortkomingen te verklaren uit de ontstaansgeschiedenis. De eerste blijf-van-mijn-lijf-huizen zaten in kraakpanden en werden gerund door vrijwilligers.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.