*

 

Verlegen mensen

Rob Schouten − 17/01/07, 00:00

Om onnaspeurlijke redenen meende mijn vader dat ik mij meer moest laten gelden in het leven: ’Je hebt toch een gezonde Hollandse mond?!’. Waar hij zijn wensconclusie vandaan haalde weet ik niet, misschien had hij te veel sportieve jongensboeken gelezen in zijn jeugd, toen Pim Mulier en Jaap Eden nog in de buurt schenen te zijn. Een jongen van Jan de Wit, dat had hij ook prima gevonden of misschien, zoals JPB onlangs, iemand die had aangemonsterd bij de VOC. Punt was dat ik verlegen was. Als iemand mij iets vroeg bloosde ik en liever dan bijvoorbeeld een onbekend persoon de weg te vragen zou ik in de aarde zijn weggezonken. Daar kon mijn vader natuurlijk niks aan doen, hij had mij, als nazaat van Jan de Wit, Michiel de Ruyter, Van Speyk en Jaap Eden beslist zo niet op de wereld gezet, maar hij had wel last van deze genetische mutatie. Ik overigens niet minder. Zo ben ik eens op weg naar de kleuterschool in het overigens te Haarlem niet als een zee van cultuur en ingetogenheid bekend staande Leidse buurtje, door een agressief meisje door mijn jas heen in mijn arm gebeten, alleen maar omdat ik er kennelijk verlegen en timide bij liep. Dit hielp mij natuurlijk niet om wat weerbaarder en brutaler te worden. Integendeel. In Vestdijks roman ’De redding van Fré Bolderhey’ wordt de hoofdpersoon ook gepest en aangevallen, maar waarom? Zijn moeder voelt het goed aan: ’Ja, begrijpen doen we het ook niet helemaal, maar het is een feit, dat hij op straat, ook als hij niets doet – en hij dóet nooit wat – de mensen ertoe brengt hém wat te doen. De manier waarop hij kijkt of loopt misschien’. Dat heb ik natuurlijk altijd een mooi boek gevonden, vanwege het begrip voor mijn zaak. Er is voor verlegen mensen niet veel ruimte op aarde. Brutalen hebben de halve wereld, luidt het gezegde, maar ik heb niet de indruk dat de andere helft dan voor de snel blozenden overschiet. Verlegen kinderen raken het nooit helemaal kwijt, ook als ze de voornaamste beletselen hebben overwonnen blijft er wel iets achter van de voormalige schroom en schaamte. Zo kan ik nog steeds nauwelijks televisie kijken, vanwege de vele gênante momenten of de kans dat iemand iets zegt dat niet begrepen wordt; programma’s waarin mensen zich blootstellen aan jury’s of gewoon maar iets doms komen zeggen, bezorgen me al helemaal nachtmerries. Het is geen verlangen naar niveau of naar schoonheid, maar angst voor het onverwachte, de wereld als onveilige haven. Bernlef heeft een mooi gedicht over verlegenheid geschreven, ’Schittering’, met de beginregels: ’Verlegen maakt iemand / op zijn mooist, siert hem / vanbinnen / Verstrikt in aarzelingen / houdt hij het schichtig / voor gezien’. Maar wat koopt de timide medemens ervoor dat de ander hem mooi en sympathiek vindt? Nu bloost hij alweer van de te grote eer. Bij mij is de ergste verlegenheid in het dagelijks leven wel een beetje versleten, de vrees om levenslang een mietje te blijven won het uiteindelijk van die voor de boze buitenwereld, maar voor verlegen mensen ben ik een zwak blijven behouden en als iemand rood kleurt in mijn buurt, denk ik: ha, een voormalig landgenoot.

mailIcon print |