De overheid hoeft ouderen niet te vertellen dat zij straks dingen niet meer kunnen. Daar komen zij zelf wel achter.
Frits de Lange schrijft in Trouw (6 januari) dat vooral babyboomers, nu nog niet gepensioneerd maar makers van beleid, ons het beeld opdringen van feestvierende ouderen die hun leven zelf ’managen’. Hij heeft een hekel aan de managerstaal en ik ben het daar helemaal mee eens.
Oud is feest voor veel mensen en dat soms tot op hoge leeftijd. Ouderen genieten van hun vrijheid. Ik ben 75 jaar en voel dit als mijn beste tijd. Op dit moment reis ik Nederland door met een verhaal over ’Levenskunst van ouderen’ en kom ’gewone’ mensen tegen die genieten van deze periode van hun leven.
Ouderen hebben nu een slecht imago. Zij worden gezien als doelgroep van zorg en beleid. Vanwege ons hardnekkige arbeidsethos plaatsen we ouderen die geen betaald werk meer doen op een minder relevant niveau. Terwijl zij zoveel bieden aan de samenleving. Reisjes maken is echt niet het enige. Veel ouderen zorgen voor anderen, bijvoorbeeld hun gehandicapte of demente partner, omdat zij dat hun verantwoordelijkheid vinden.
Ouderen hebben een eigen ’cultuur’ hoewel zij nauwelijks als groep te omlijnen zijn. Maar ze zijn tegen de verspilling van goederen. Ze kennen de waarde van de kleine dingen, omdat hun leven langzamerhand kleiner wordt en omdat ze arm zijn geweest, ze zijn niet verwend. In deze jachtige tijd hebben ze tijd voor je, aandacht.
In de boodschap dat oud feest is, ziet De Lange een gevaar voor de solidariteit met de ouderen die intensieve zorg nodig hebben. Volgens mij is solidariteit een verantwoordelijkheid voor de hele samenleving. Mensen die intensieve zorg nodig hebben, van welke leeftijd ook, met welke handicap ook, moeten die krijgen.
Aan het eind van het artikel staat de grootste zorg van de auteur. Hij is bang dat we vergeten ons te bezinnen. Dat we met drogredenen onszelf wijsmaken dat we niet met verlies van functies te maken krijgen, rouw om verlies van geliefden en verlies van zingeving in het leven zelf. Ik vind dat een zaak van mensen zelf en niet van beleid. Ik moet er niet aan denken. Dat maken we zelf wel uit.
En niet iedereen komt in die laatste fase, soms ga je zomaar dood. De vierde fase wordt teveel gezien als een vanzelfsprekend vervolg op de vorige, feestvierende fase. Ik denk nu aan mijn ex-man die vorig jaar overleed. Hij was 85, werkte voor de kinderkerk, gaf pianoles en wandelde. Hij kwam op zijn fietsje naar mij toe. ’Het gaat wel minder hoor’ zei hij. Een week laten was hij dood. Maar hij was de daaraan voorafgaande tijd wel met een zoektocht bezig. Wat hij vond was: ’Ik ben geaccepteerd, ik ben goed zoals ik ben’.
Wat moet je voor zoiets nou met beleidsmakers?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.