*

 

Bovenop de dierlijkheid bracht God een laagje aan

Bert Keizer − 02/06/07, 00:00

In ’Primates and philosophers’ keert Frans de Waal zich tegen wat hij bondig definieert als The Veneer Theory. Het gaat om een perceptie van mens-zijn die je in vele uitdrukkingen terugvindt. Iemand kan tekeer gaan ’als een dolle hond’. Een medische methodiek kan zo bruut zijn dat je van ’een paardemiddel’ moet spreken, en politici zijn ’ratten’. Eén van de mooiste diervergelijkingen betrof Bernhard von Bülow, de man die Bismarck opvolgde als kanselier. Van hem werd gezegd: ’Gegen Bülow ist ein Aal ein Igel’. Naast Bülow is een aal een egel.

Menselijk zijn is in deze uitdrukkingen iets dat zich als een dun laagje vernis (de Waals ’veneer’) bovenop het onderliggende dierlijke bevindt. Omdat het maar zo’n dun laagje is, dreigt wat er onder zit steeds door te breken en dan krijg je ’beestachtige’ toestanden.

Deze manier van kijken naar de mens betreft alleen de mens als engel of als etter. Ethiek kortom. Niemand schijnt zich druk te maken over de mens als denker. Kennelijk acht men onze intellectuele afstand tot het dier astronomisch en is er geen zorg dat we in sonnettenbouw of bij het berekenen van een overspanning ineens erg dierlijk bezig zouden kunnen zijn.

Die bezorgdheid bestaat wel in het ethische domein. We hebben eeuwenlang naar dieren gekeken alsof zij alleen bestonden uit begeerten en de wens daar iets mee te doen. Of het nou honger, woede, bewegingsdrang, geilheid of pijnvermijding was, dieren renden zonder enige afweging weg van rottigheid en met dezelfde blinde ijver gingen ze hun plezier achterna.

Zo zijn mensen niet. Die denken na, vragen zich af wat hun handelen voor anderen betekent, en kunnen desgewenst hun honger, woede en geilheid onderdrukken. Mensen kunnen bevrediging uitstellen of zelfs geheel afzweren. Zij overleggen met zichzelf, of met anderen, of met anderen in zichzelf, voordat ze besluiten iemand te helpen of te laten stikken.

Zo doen mensen vaak hele goeie dingen, die je dieren niet ziet doen en deze bijzondere neiging werd beschouwd als onaards, onbiologisch, ondierlijk. Ethiek kwam niet uit de Natuur, maar uit God, die een laagje aanbracht bovenop de dierlijkheid.

Dit verslag hebben we nu opzij gezet. Er zijn geen aanwijzingen voor. Of liever, we zouden niet eens weten wat we zouden beschouwen als een aanwijzing voor deze visie. Moraal komt uit de natuur. En wie een andere afzender vermoedt die heeft lang zoeken.

Niet iedereen is tevreden met deze visie. Godsdienstig gestemden houden graag vast aan een rol voor God in het aanbrengen van dat laagje. Maar, en dat is enigszins verrassend, de Waal constateert dat er ook anderen zijn die een laagje bovenop het menselijk genoom willen hebben, een laagje van waaruit we de mogelijkheid hebben om ons teweer te stellen tegen dat onstuitbare duo, Genoom & Omgeving, zodat die niet samen de hele dienst uit maken.

Aan het einde van ’The Selfish Gene’ schrijft Richard Dawkins: „Wij zijn gebouwd als genmachines en opgekweekt als mememachines, maar wij hebben de macht om ons tegen onze scheppers te keren. Wij zijn de enigen op aarde die in opstand kunnen komen tegen de tirannie van zelfzuchtige replicatoren.”

Frans de Waal beschouwt deze bewering als een zuiver voorbeeld van Vernistheorie. Dawkins ontdekt in het menselijk organisme de mogelijkheid om zich te ontworstelen aan de dictatuur van Genoom & Omgeving. Hij zegt bovendien dat wij het enige dier zijn dat dit vermogen heeft. Het betreft hier een hele merkwaardige opmerking waar ik aanvankelijk overheen las. Ik dacht: waarom zou Dawkins niet een beetje optimistisch mogen zijn?

Maar stel u voor dat iemand na een uitputtende verhandeling over de aard van auto’s via de stoommachine, de benzinemotor en de dieselmotor (en een vluchtige blik op de Wankelmotor), zijn betoog afsluit met de mededeling dat hij zelf gelukkig een auto heeft die zonder energiebron rijdt. Een dergelijke auto weerspreekt nou net alles wat hij beweerde over auto’s.

Dawkins’ opmerking wordt ook wel beschouwd als een hedendaagse versie van Descartes’ visie, waarin alle dieren geestloze robotten zijn, geheel werktuigbouwkundig te verklaren (Genoom & Omgeving bepalen alles), terwijl alleen de mens een ziel heeft (waarmee hij Genoom & Omgeving kan overstijgen).

Dawkins geeft ook een voorbeeld van een dergelijke overstijging: het gebruik van anticonceptie. Maar ik denk dat in het zicht van de huidige overbevolking Genoom & Omgeving deze daad misschien geheel kunnen verklaren.

Laten we aannemen dat we ons niet aan Genoom & Omgeving kunnen onttrekken. Dan blijf ik toch nog zitten met de zeer merkwaardige bezigheid die er in bestaat dergelijke beweringen te doen, of te bestrijden, of uit te leggen. Is denken over Genoom & Omgeving ook bepaald door Genoom en Omgeving? Zeer vreemd. Wij blijven merkwaardige tiepjes, hoor. Denk aan Nietzsches opmerking over de mens als ’het nog niet vastgestelde dier’.

mailIcon print |