Stel dat ze op Mars niet alleen stromend water vinden maar ook werkelijk leven, vreemde wezentjes die bewegen en zich georganiseerd lijken te hebben, de befaamde marsmannetjes, al zullen het wel geen mannetjes zijn, hoe staan wij daar dan tegenover? Nieuwsgierig neem ik aan, wat doen ze precies, hoe vullen ze hun tijd, kennen ze iets als geluk, op welke wijze houden ze zichzelf in stand, is de belangstelling wederzijds? Ik neem voorlopig niet aan dat hun afwijkende uiterlijk of gedrag ons angst aanjaagt, we zijn immers altijd op zoek naar iets anders geweest. De grootste teleurstelling zou zijn als daar gewoon mensen wonen, zoals u en ik, onder de grond, weet ik veel, in bunkers. Onze belangstelling voor hun totaal andere levensvormen en wijzen ressorteert onder ’cultuurrelativering’: ’s lands wijs, ’s lands eer. Het gevoel dat andere volkeren het op hun manier net zo goed en interessant doen als wij, is geloof ik thuis op aarde aan enige slijtage onderhevig. Naarmate we een beter inzicht krijgen in het eigen gewriemel op ons bitumenpropje lijkt het ene volk het ook steeds vaker beter te doen dan het andere. Westers gemak is nu zo’n beetje de wereldwijde standaard, de rest is armoe, maar vanuit Oosterse hoek zien ze er toch een toenemende decadentie in sluipen die doet besluiten het toch vooral bij het oude te houden. En zo relativeren we elkaars levensstandaarden. Ikzelf merk dat ik er nogal eens toe neig om de mate van geluk tot maat te verheffen. Als volkeren of individuen een gelukkige indruk maken, ben ik tevreden, al zou ik het zelf heel anders doen. Heeft een gezin een mongooltje dan wil ik niet denken: wat zielig, maar: het is denk ik een heel gelukkig kind. Om dit relativerende besef te beproeven ben ik naar EthiopiĆ« vertrokken, een land uit mijn oudste dromen en nachtmerries, want ooit dreigden mijn ouders er met kinderen en al de zending in te gaan, maar ze waren gelukkig niet gezond genoeg. In EthiopiĆ« is de moderne mens zo’n beetje ontstaan, schijnt het, en naar die plek gaan we dan ook: de Omo-vallei. Kennelijk heeft die mens op zijn diaspora allerlei zaken opgedaan die hem verder van de oorsprong vandaan hebben gebracht, want de stammen in de Omo-vallei maken op ons een ontstellend primitieve indruk. Sommige van hen wisten vijftig jaar geleden nog niet eens dat ze tot iets als EthiopiĆ« behoorden. Tatoeages en verminkingen waar onze huidige piercings en tattoos kruimelwerk bij zijn. Het meest extreem gaat het toe bij de stam der Mursi, daar snijden ze rond hun twintigste de lippen van de vrouwen open en plaatsen er een kleine schijf in. Naarmate de boel verder uitrekt komen er grotere schijven in, tot een doorsnee van wel vijftien centimeter, ongeveer een CD’tje. Hoe groter die uitgerekte lippenpartij, hoe meer schapen zo’n vrouw waard is. Ik neem mij voor de arme pubermeisjes die dit lot te wachten staat niet te beklagen want ook zij willen natuurlijk het beste van het beste en een rijke man. Een dapper cultuurrelativist te zijn en die misvormde bakkessen dan misschien niet fraai maar wel economisch functioneel te vinden. U hoort nog van ons.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.