*

 

’Ik wilde eerst niet eens marathons lopen’

Rob Velthuis − 08/09/07, 00:00

25 jaar geleden werd Gerard Nijboer (52) met zijn Europese titel ’de man die ik nu ben’. Toch beschouwt hij de Griekse helletocht van Marathon naar Athene niet als zijn grootste prestatie.

Euforie bleef uit toen Gerard Nijboer op 12 september 1982 over de twee treden sprong die toegang gaven tot het Panathinaikon Stadion in hartje Athene. Binnen dat marmeren hoefijzer eindigde een slopende reis.

„Ik was blij dat ik er was. Eindelijk kon ik me overgeven aan de wens van mijn lichaam, dat wilde stoppen. Dat riep het al na twaalf kilometer. Ik was te moe om van blijdschap uit mijn dak te gaan.”

Twee jaar eerder had de Nederlander op de klassieke afstand wereldfaam verworven. In Amsterdam liep hij met 2.09.01 uur de tweede tijd ooit, waarna hij in Moskou olympisch zilver won. Het historische besef van de klassieke afstand kwam pas in Athene.

Na 1980 leek zijn loopcarrière afgelopen. Nijboer kampte met een knieblessure en kreeg advies om te stoppen. Een telefoontje van trainingscoördinator Herman Buuts luidde indirect de ommekeer in.

Nijboer had vanwege zijn zilveren medaille in Moskou een trainingsreis tegoed. Buuts adviseerde hem om op kosten van de atletiekunie een exotisch strand op te zoeken. De kreupele Nijboer koos voor Athene, waar een jaar later de EK atletiek op het programma stonden.

Voor de loyale atletiekbaas werkte hij een minutieus rapport uit. „Voor hem wilde ik iets terugdoen. Ik wilde alles van Athene weten: temperatuur, kwaliteit van drinkwater, eten, hotels, openbaar vervoer.”

„Op het terrein waar het nieuwe olympisch stadion werd gebouwd, lag slechts een betonnen plateau. Ik maakte een afspraak met de architect, omdat ik wilde weten waar de finishlijn van de marathon zou liggen. Later werd duidelijk dat die in het oude stadion zou zijn.”

„Het was mei 1981 en ik was alleen met die geblesseerde knie bezig. Ik wandelde met ondersteuning en veel rustpauzes met mijn vriendin Carrie in twee dagen het hele marathonparkoers. Het was een bizar avontuur.”

„Het werd fascinerend toen ik de geschiedenis ervan gewaar werd. Wist ik veel, enig historisch besef had ik niet. Ik wilde eerst niet eens marathons lopen. Op klassieke bodem kreeg ik het gevoel dat, als ik ooit iets wilde winnen, dat daar moest gebeuren. Daarmee kwam de wil terug om echt beter te worden.”

Anderhalf jaar later ontspon zich een meeslepend gevecht, met alle denkbare vormen van dramatiek. De organisatie wilde bij de waterposten flesjes cola of bidons meegeven die aan een riem konden worden geklikt. Olympisch kampioen Cierpinski veegde op kop de dranktafels leeg. Paniek ontstond toen vlak voor de start alle logo’s op de shirts moesten worden afgeplakt. Twee Zweden wilden Nijboer kapot lopen en sneuvelden zelf. Uitzinnige toeschouwers boden de deelnemers palmtakken aan en wilden hen aanraken.

Maar bovenal was er de brandende zon, de moordende hitte en fungeerden de heuvels als scherprechters. „Iedereen was nerveus. Ik ook, hoe goed voorbereid en vol zelfvertrouwen ik ook was. Ik hoorde bij de favorieten, dat wilde ik laten zien.”

„Het werd een helletocht. Het meest emotionele moment was de verrassende gewaarwording dat ik vlak na de halve marathon los lag. Ik was niet eens gedemarreerd. Cierpinski had net een tafel schoongeveegd. Ik was vooral boos op mezelf, ik had een bekertje gemist. Door de adrenaline ging ik agressiever lopen.”

„Ik deed kopwerk, wilde laten zien dat ik sterk was. Ineens liep ik alleen. Dat was een vreemde ervaring. Het speelde door mijn hoofd dat ik dat niet wilde. Wat nu? Je kunt je laten terugzakken, maar dat is niet goed voor het zelfvertrouwen. Aan de andere kant was het een buitenkansje.”

„Na 30 kilometer, op de laatste helling, werd het me zwart voor de ogen. Ik moest gas terugnemen, anders was ik tegen de vlakte gegaan. Ik liep in totale onwetendheid over wat achter me gebeurde. Omkijken doe je niet. Stel dat juist dan een tegenstander met zijn ogen in je rug priemt, dan ben je verloren.”

Na 35 kilometer zeeg Nijboer door de knieën om een veter te strikken. „Toen heb ik stiekem onder mijn arm door gekeken. Ik zag alleen een karavaan met motoren. Toen realiseerde ik me dat ik het rustiger aan moest doen. Ik zat er doorheen. Het enige wat ik nog kon, was de marathon uitlopen en hopen dat er niemand voorbij zou komen.”

mailIcon print |