In de voetstappen van een bonte reeks voorgangers beklom schrijver en journalist Frank Westerman de Ararat. De berg waar de ark van Noach na de zondvloed op zou zijn gestuit, was de aanleiding voor de zoektocht naar zijn eigen geloof.
Middenin een vlak landschap rijst hij op: de berg Ararat. Onderaan de hellingen groeien weelderige wijnranken, maar daarboven oogt de berg, die is opgebouwd uit zwarte vulkaansteen, ongenaakbaar. De twee toppen van de berg - een grote en een kleine - met hun kap van sneeuw en ijs versterken die indruk. Lange tijd dacht men dat de Ararat, op de grens van Armenië en Turkije, onbedwingbaar was voor de mens.
Die mythische status dankt de Ararat niet alleen aan zijn fysieke verschijning, maar ook aan zijn bijbelse betekenis. Op deze berg zou de ark van Noach na de zondvloed zijn gestuit. Vanaf dit hoogste punt van de omgeving merkten Noach en zijn familie dat het water weer begon te zakken en dat de aarde wat God betreft met een schone lei kon beginnen.
Dit oude verhaal neemt niet alleen in de christelijke traditie een belangrijke plaats in. Ook in de Koran staat beschreven hoe Núh van alle diersoorten een mannetje en een vrouwtje in de ark laadde. Maar ook het veel oudere Gilgamesj-epos (2000 à 1500 v. Chr.) maakt melding van een schip vol dieren dat de zondvloed overleeft. Zelfs in uiteenlopende bronnen als Afrikaanse mythes en de Romein Ovidius is het verhaal terug te vinden. Velen zochten op de Ararat naar een tastbaar bewijs van deze mythes, maar niemand vond ooit restanten van de ark.
Frank Westerman was eind jaren negentig correspondent in de voormalige Sovjet-Unie en bracht in 1999 een bezoek aan Armenië. De Ararat, de plaats waar het verhaal van Noach een voet aan de grond krijgt, intrigeerde hem direct.
In het begin wist hij niet waarom. Hij was gelovig opgevoed. Hij herinnerde zich het verhaal van de ark met alle details heel precies uit de kinderbijbel; en ook hoe het hem de ’geborgenheidsrillingen’ gaf om met de hele school tijdens de weekopening te zingen op de vloer van de grote hal. Maar dat geloof was weg. En hoe dat zo was gekomen, wist hij eigenlijk niet. Om dat te achterhalen schreef hij een boek over de Ararat, over die plek van mythe en werkelijkheid, van geologie en religie. Hij onderzocht zijn eigen christelijke jeugd, zijn confrontatie met de bèta-wetenschappen (hij studeerde tropische landbouw), maar ook de geschiedenis van de arkzoekers op de Ararat en die beklom hij uiteindelijk zelf.
In zijn huis in de Amsterdamse Jordaan bezet zijn vijfjarige dochtertje Vera de beste plaats. Vlak voor het raam is de speelhoek ingericht. Ze is de feitelijke aanleiding voor Westermans zoektocht geweest, blijkt uit zijn verhaal.
„Als je vader wordt, komt de vraag op: wat vertel ik haar als ze groter wordt over leven en dood? Om die vraag te beantwoorden, moet je eerst weten wat je zelf gelooft. Dat wist ik niet. Ik nam aan dat ik een niet-gelovige was, maar wist het niet zeker. Lijkt het zo omdat ik in mijn leven vaste grond onder de voeten heb? Zou ik ongelovig blijven als het noodlot toeslaat?”
Westermans opvoeding op het platteland van Drenthe was niet streng christelijk. Voetballen deed men niet op zondag, de auto wassen evenmin, maar dogmatisch was het protestants-christelijke gezin niet. Van een traumatische jeugd of een afkeer van het geloof, zoals bij de oudere generatie schrijvers als Maarten ’t Hart en Jan Siebelink, heeft Westerman geen last. Gedurende zijn jeugd ebde de God van de kinderbijbel langzaam weg uit zijn leven, vooral als gevolg van de confrontatie met de wetenschap.
Westerman: „Wetenschap onttovert. Ik kan me herinneren dat we op school het kleurenspectrum van sterrenlicht ontleedden. Zo werd een wonder ontrafeld. Door al die bèta-vakken bleken de bijbelse verhalen onhoudbaar. De aarde was niet in zes dagen geschapen en niet slechts 6000 jaar oud, zoals op grond van de bijbel was te berekenen, maar al 4.550.000.000 jaar oud. De zondvloed leek beter verklaarbaar door de IJstijd dan door de hand van God. Wetenschap en geloof bleken elkaar uit te sluiten.”
En toch. Toen Westerman in gesprek raakte met zijn hoogleraar geologie, Salomon Kroonenberg, die verklaard atheïst was en een onbeperkt vertrouwen in de wetenschap had, bleek hij niet zo zeker meer van zijn ongeloof. Westerman: „Zeggen dat God niet bestaat, zoals Kroonenberg deed, is evengoed een geloofskwestie. Het valt beide niet te bewijzen. Ook zijn redenering dat de wetenschap bij iedere doorbraak dichter bij de oplossing van het raadsel van het leven kwam en het uiteindelijk zou kennen, onderschrijf ik niet. Voor mij lijkt dit soort wetenschap meer op een eindeloze woestijn waar achter ieder duin een nieuw duin ligt. In die zin lijkt het op abstracte wiskunde, dat met zijn pi, imaginaire getallen of oneindige cijferreeksen ook nooit te bevatten is. Ik erken dat er een onverklaarbaar domein is. Er kiert iets. En daar ben ik blij mee, want ik werk met taal en letters. En dan moet je het hebben van de magie.”
Volgens Westerman doen schrijvers en kunstenaars hetzelfde als religie: ze vullen het onverklaarbare domein. Westerman: „Het verschil is dat religie vaste sjablonen aanreikt. Het vragenstellen stopt daar. Ik vind de claim van religies op dit onverklaarbare domein te betwisten. Ik verlaat me liever op mijn eigen verbeelding om dat domein te vullen.”
Westerman is niet bepaald de enige die zich bij het ’God bestaat niet’ van de wetenschap onprettig voelt. „Zonder de mythes en verhalen die dat onverklaarbare gebied proberen te vullen, hou je een heel kil universum over. De natuur is koud en onverschillig. Maar dat willen we niet. Als het leven gewoon een kwestie van atomen en moleculen is, waarom zou je het leven dan uitzitten?”
In de Sovjet-Unie, Oost-Europa en China is langdurig getracht religie uit te bannen. Gedurende zo’n zeventig jaar was vrijwel iedereen daar atheïst, op een paar oude vrouwtjes na, aldus Westerman. Westerman: „In de twintigste eeuw was godsdienst in het grootste deel van de wereld afgeschaft. Hele generaties hadden er niks meer mee. Ze vonden religie onzin. Maar sinds de jaren negentig zie je dat veranderen. Het geloof blijkt hardnekkig. In Armenië, Polen en Rusland zijn de kerken weer vol. Hetzelfde proces zie je in Turkije, waar de islam onder de seculiere staat sterk was teruggedrongen maar nu weer terugkeert.”
Maar ook in het Westen, waar van onderdrukking van het geloof geen sprake was, is een religieuze opleving zichtbaar. Het aantal mensen dat de Ararat beklimt met als doel de ark van Noach te zoeken, neemt alsmaar toe. Ze komen vanuit de hele wereld, hoe onzinnig en absurd het ook is om een scheepswrak op 5000 meter hoogte te zoeken.
Nederland blijft niet achter bij de wereldwijde religieuze opleving, stelt Westerman. „Een paar jaar geleden won de nieuwe bijbelvertaling de NS-Publieksprijs. ’Knielen op een bed violen’ van Jan Siebelink raakte duidelijk een snaar. Ik merk het ook aan mijn vrienden die naar aanleiding van mijn boek zeggen: jij gaat toch niet ook al flirten met religie?”
In het Westen lijkt de herwaardering van kerk en geloof veel te maken te hebben met een reactie op de krachtiger aanwezigheid van de islam sinds de aanslag op de Twin Towers op 9 september 2001. Westerman: „De eerste reactie daarop was juist anti-geloof. Opiniemakers beriepen zich op de Verlichting. Ik herinner me een aanplakbiljet hier in de buurt met de tekst: ’Stop reading holy books’.
„Maar dat werkte niet. Door het gevoel van dreiging van terrorisme - echt of vermeend - betrekken mensen weer de vertrouwde stellingen. En nu zijn de niet-gelovigen in het defensief.
„De keerzijde is dat je nu bijvoorbeeld op de opiniepagina van de NRC kunt zeggen dat je een kerkganger bent zonder te worden weggehoond. Tot voor kort gold dat daar als diskwalificatie. En nu krijgen we zelfs de ChristenUnie in de regering. Spiritualiteit is al langer aanvaard, dat is eigenlijk van alle tijden. Opvallend is nu dat wordt teruggegrepen op de oude vertrouwde sjablonen van de kerk.”
Zelf doet hij dat dus niet. „Ik erken dat er een domein is dat wij niet kunnen bevatten. Verder gaat het voor mij niet.”
In zijn boek neemt Westerman zijn eigen ontwikkeling onder de loep. Hij schrijft ombekommerd in de ik-vorm over zijn zelfonderzoek. Dat ging hem niet gemakkelijk af, maar het leek hem de enige geschikte manier om over dit onderwerp te schrijven.
Toch schreef hij dit autobiografische relaas vooral omdat hij meent dat hij er een brede maatschappelijke tendens mee heeft aangeboord. „Het zegt iets over geloof in de jaren zeventig, de tijd waarin ik opgroeide, en over het heden. Met een sociale studie had ik het niet beter in beeld kunnen brengen.”
Overigens is het meer de zoektocht eromheen dan de feitelijke beklimming van de Ararat die hem liet zien dat er een ’domein van het bovenbevattelijke’ is. Op de berg had hij al zijn energie en concentratie nodig om de blaren en hoogteziekte aan te kunnen. Geestelijk trok hij zich op aan het woord dat zijn dochtertje Vera had bedacht voor cijfers: telletters. Een woord dat in zijn eenvoud op dat moment voor hem al net zo bovenbevattelijk was als religie.
Voor een recensie van ’Ararat’ zie Boeken, pagina 15
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.