Nooit vraagt de kerk naar wat mensen willen, wat hen beweegt, waarnaar ze verlangen, stelt predikant Matthias Smalbrugge vast. „De kerk heeft mensen leren leven met een onecht ik, een vals zelf. Ze zijn personages geworden omdat de kerk niet bestaat bij de gratie van menselijke ervaring, maar bij de gratie van Gods woord.”
Midden in de oorlog schreef de befaamde historicus Johan Huizinga: „En nu rijst de drukkende vraag: acht men waarlijk den tijd aanstaande, dat de menschen van gemiddeld geestelijk kaliber weer gaan leven in en uit voorstellingen van kruisdood, opstanding, uitverkiezing en oordeel? Let wel, dat wil niet zeggen dat zij in deze termen eenmaal hun belijdenis hebben gedaan, maar dat die voorstellingen hun leven en daarmede ook hun cultuur zijn geworden. Het schijnt mij vermetel, zulk een wending als aanstaande te veronderstellen. De moderne menschheid in Europa en Amerika is als geheel op verwerven en genieten gericht. [...] Hebzucht, heerschzucht en geweld zijn nergens afgezworen; de wereld gaat haar volgende tijdperk nog steeds als acquisitieve maatschappij, als samenleving van winnen en genieten, tegemoet.”
Het waren visionaire woorden. Huizinga constateerde in 1943, in een tijd dat de kerken nog vol zaten, dat de inhoud van het geloof allang was weggesijpeld uit de officiële formuleringen en riten. Kruisdood, opstanding, uitverkiezing en oordeel – het zijn allemaal essentiële noties van het christelijk geloof. Maar Huizinga zag dat het loze termen waren geworden. Al in zijn tijd waren ze geen levend geloofsgoed meer, maar clichés waaraan je kon herkennen dat je in een kerk zat. Ze fungeerden hooguit als herkenningsmelodie binnen de groep. Als symbool. Zoiets als het Wilhelmus: voor de meeste mensen is de inhoud onbegrijpelijk, maar als je het lied hoort besef je in Nederland te zijn. Zo moet het begrip kruisdood te horen blijven in de kerk omdat je dan weet dat je in een kerk terecht bent gekomen.
Toch dient zo’n gemeenschap – of het nu de kerk is of Nederland – te waken over een vitale band tussen symbool en inhoud. Gebeurt dat niet, dan moet je lastige discussies voeren over pakweg identiteit en identificatie (denk aan het laatste WRR-rapport). Of over de kern van het geloof. Meestal zal dat een vergeefse oefening zijn, hooguit een woordenspel. Met als gevolg dat je moet concluderen dat die gemeenschap is als een boom waar nog steeds vogels nestelen, rondfladderen en uitrusten op de takken. Maar de takken zijn allang hun levenssappen kwijtgeraakt.
Zelfs in 1943, toen de kerken nog uitpuilden, er nog volop gepreekt, gebeden en gezongen werd – zelfs toen al kon een buitenstaander vaststellen dat die vogels in werkelijkheid op dode taken zaten. Op enkelingen als Huizinga en Bonhoeffer na was er niemand die zag dat de boom allang verdord was. Huiveringwekkend: een dode kerk die niet ziet dat zij dood is.
Drong het besef van die dode takken dan later wel door? Nee, eigenlijk waren de woorden van Huizinga te scherp om gehoord te worden. Wat dat betreft is de situatie in 2007 niet anders dan die in 1943. Nog steeds wordt er over de kruisdood gesproken alsof het begrip een levende inhoud heeft. Maar die is allang verdwenen, weggesijpeld. Wat de kerken overigens bestrijden: de inhoud weggesijpeld? Welnee, dát is het probleem niet. Er moet alleen een adequate vertaalslag worden gemaakt.
Het product dat de kerk aan de man brengt is nog steeds van uitstekende kwaliteit, alleen moeten de klanten dat nog begrijpen. Weliswaar lopen die al zo’n veertig jaar weg, maar dat komt doordat ze niet beseffen hoe nodig ze het product hebben. Die Huizinga was gewoon een cultuurpessimist, wiens blik werd verduisterd door het gevoel de ondergang van het Avondland mee te maken. Begrijpelijk in oorlogstijd, maar op theologisch vlak zag hij het toch echt verkeerd. Kruisdood, opstanding, uitverkiezing en oordeel – dat is de kern van het geloofsleven. In 1943 en nog steeds in 2007.
Nooit vraagt de kerk naar wat mensen zelf willen, wat hen beweegt, waarnaar ze verlangen. Want, denkt de kerk, de mensen kennen (vrij naar Jona) niet eens het verschil tussen links en rechts. Vraag je hun wat zij willen, dan kom je wellicht in het vaarwater van het gezonde volksgevoel. Nu eens helt dat over naar de Partij van de Vrijheid, dan weer naar een andere extreem. En op theologisch vlak varieert het van moderne spiritualiteit tot ouderwetse zekerheden, gelardeerd met bekende liederen. Vragen naar wat de mensen willen, is gevaarlijk, denkt de kerk. De volkswil is grillig. En de kerk mag niet gereduceerd tot een organisatie die levert wat de klant verlangt. De kerk, zo luidt de officiële redenering, ontleent haar identiteit niet aan de vragen en behoeften van mensen, maar aan de vragen en woorden van God. In laatste instantie zijn de woorden die er klinken niet menselijke woorden, maar Gods woorden.
Kan zijn. En inderdaad is de volkswil grillig en onberekenbaar. Maar wie voorbijgaat aan de werkelijke behoeften en vragen van mensen, wie niet wil accepteren dat spiritueel inzicht een diepe band moet hebben met de eigen menselijke ervaring, die leert mensen bewust met een vals en onecht zelf te leven. Die bekleedt hen zogenaamd met een nieuwe mens (zegt Paulus), maar in feite wordt hun een masker opgedrukt. In feite wordt hun geleerd te geloven in iets waarvan ze niet voelen dat ze het nodig hebben.
De consequentie van deze houding is tweeërlei. Een deel van de mensen realiseert zich niets te voelen en te ervaren bij de aangeleerde begrippen. Zij gooien het masker weg en verdwijnen uit de kerk. Dat proces is al veertig jaar aan de gang en nog gaande. Een ander deel leert te voelen en geloven wat de kerk als Gods woord voorhoudt en zal op den duur niet meer naar eigen verlangens en behoeften vragen. Het masker is deel geworden van hun identiteit, ze spelen het gelovig spel zoals het hoort. Zo gaat het niet alleen in de zware en fundamentalistische hoek, maar ook in de mainstream kerken.
De kerk leert de gelovigen dat er een grote afstand is tussen God en mens en dat die afstand niet in het teken staat van verlangen en liefde, maar van zonde. De God die ver weg is, naar wie ik reik en uitzie, hem kan ik niet raken met mijn liefde en verlangen, want ik ben zondaar. Alleen het omgekeerde kan waar zijn: dat God naar de mens reikt met zijn liefde. Een liefde die dan tegelijkertijd vergeving moet zijn voor de zondige natuur die de mens nu eenmaal altijd met zich mee blijft torsen. Die goddelijke liefde moet bovendien verzoening zijn, want die heeft de mens nodig vanwege zijn verdorvenheid. Het is een liefde die afstandelijk blijft en schuldgevoel creëert in plaats van nabijheid. Wederzijdse liefde tussen God en mens, verlangen dat raakt aan zijn vervulling – het kan niet omdat de menselijke natuur een zondige, een kwade is. Mensen moeten beseffen dat ze zondaar zijn. En ofwel ze leren dat te accepteren ofwel ze haken af.
Dit is de eerste stap naar het onechte ik, het valse zelf. Heb je die eerste stap gezet, dan gaat het verder. Je wordt een personage. De kerk leert mensen dat God barmhartig is, dat hij de zwakke beschermt, de wees en de weduwe behoedt. Weer doet zich hetzelfde voor. Ofwel mensen zien dagelijks de afgrijselijkste dingen en haken af. Ofwel ze leren het te geloven, hoe afschuwelijk de dagelijkse werkelijkheid ook is. Denk aan moeder Teresa. Vijftig jaar hield ze vol dat God barmhartig is, maar diep in haar leefde een diep ongeloof. Ze wilde dat God er is en dat hij was zoals de kerk het haar heeft verteld. Maar ze kon het niet geloven en ervoer haar leven steeds sterker als een toneelspel. Haar recentelijk gepubliceerde brieven getuigen daarvan. Intussen noemt de kerk haar een groot mystica. Hoezo mystica? Ze was een gebroken mens, worstelend met een onecht ik. Elke stap voerde haar verder weg van het echte ik.
Of denk aan geboden als je vijanden liefhebben en je verzoenen met je tegenstanders. Ongetwijfeld. Maar als je dat leert geloven, dan valt het je niet meer op dat Jezus zélf zich niet aan zijn woorden hield. Hij heeft zo zijn preferred enemies die hij steeds voor rotte vis uitmaakt. Hoezo hield hij van de Farizeeën?
En als je eenmaal hebt geleerd dat je je vader en moeder moet eren, dan merk je niet meer dat de meeste familiegeschiedenissen ongelooflijk triest zijn. Je ziet de trauma’s, de conflicten en kwetsuren niet meer. En als je ze wel ziet, dan is je enige antwoord dat mensen zich moeten verzoenen. De rol van agressie in gezinsverband en elders? Je zult het proberen te ontkennen: mama en papa houden evenveel van alle kinderen. God vraagt dat van je en God is liefde. Jij niet. Jij bent zondaar.
Dat is de onechtheid waarmee de kerk mensen leert leven. Dat zijn de dode takken. We hebben mensen leren leven met een onecht ik, een vals zelf. Ze zijn personages geworden omdat de kerk niet bestaat bij de gratie van menselijke ervaring, maar bij de gratie van Gods woord. Hij is de enige die persoon is.
Ooit was er een koning Dionysus – Augustinus (354-430) vertelt het verhaal met ironische meewarigheid – die zichzelf zo lelijk vond dat hij een prachtig masker droeg als hij gemeenschap had met zijn vrouw. Zo hoopte hij dat de kinderen die hij eventueel verwekte de schoonheid van het masker meekregen, en niet de lelijkheid van hun vader. De brave Dionysus speelde letterlijk een rol, hij had een toneelmasker op.
Alsof je schoonheid op kunt doen ( een crème, een masker) en alsof die dan nog wordt overgedragen ook. Slaap slechts met uw vrouw als zij volledig is opgemaakt, dan alleen krijgt u mooie kinderen. Schoonheid niet omdat je als persoon mooi bent, maar omdat schoonheid een van je personages, je maskers is.
Het is niet moeilijk de lijn te trekken van Dionysus’ masker naar de esthetische chirurgie. Die komt voort uit dezelfde wens om schoonheid aan te kunnen meten als personage, en dus uit schaamte voor het tekort in je huidige personage. Verlangen en schaamte, samengebald in de tocht naar schoonheid.
Daar kun je onmogelijk ridiculiserend over doen. Zeker niet als kerk. Gaat immers niet een van de eerste bijbelverhalen over twee mensen die, door schoonheid verlokt, hun verlangen op het spoor kwamen en tegelijkertijd de schaamte ontdekten?
Als dat zo is, dan zou je denken dat Augustinus eropuit moet zijn geweest om mensen van personage weer persoon te laten worden en daar de kracht van geloof in te zoeken. Temeer omdat seks ook in dit verhaal een rollenspel lijkt te zijn. Dionysus is niet geïnteresseerd in een liefdevolle ontmoeting met zijn vrouw, maar in het spelen van een rol met maar één oogmerk: mooie kinderen. Zijn vrouw is geen partner, maar een instrument om schoonheid door te geven.
Ook daar is het niet moeilijk de lijn door te trekken naar nu. Hoe instrumenteel is seks wel niet in onze tijd? Weer zou je denken dat Augustinus aanleiding genoeg heeft om juist met dit verhaal te laten zien dat het erom gaat persoon te worden, voorbij het onechte ik, het personage.
Inderdaad, maar Augustinus graaft dieper. Hij meent dat een mens lijdt aan een onecht ik, een vals zelf, omdat begeerte een spel met hem speelt. Dionysus kan nooit persoon worden als hij niet inziet dat juist begeerte hem daarvan afhoudt. Begeerte splijt een mens en is grensoverschrijdend. Je doet iets wat je niet wilt, en wilt iets wat je niet doet. Begeerte is een autonome macht waartegen je geen verweer hebt, vanglijm waarin je hopeloos verstrikt raakt. Ze rukt je weg van jezelf, is daarom niet goed. Juist de begeerte dwingt de mens tot het spelen van een personage, drukt hem in een rol.
Ze kan niet goed zijn. Was ze dat wel, zegt Augustinus, dan zou je tot de conclusie moeten komen dat je haar het meest in Christus aantreft. Want in hem moet al het goede aanwezig zijn. Wat weer zou leiden tot de conclusie dat de man met de grootste begeerte, met het grootste libido, Christus zou moeten zijn. Een absurde redenering, vindt Augustinus, want die Christus zou dan toch weinig meer zijn dan een spreekpop, een personage, van het libido.
Zou begeerte daarentegen iets goeds zijn, dan zou het libido ook goed zijn. En dan zou Christus, de beste mens, tevens de mens met het grootste libido zijn. Stel het je voor, Christus de mens met het grootste libido. Zou zo’n mens ooit echt persoon zijn? Of eerder personage?
Zo tekende Augustinus, lijkt het, de mens au fond als een wezen gekenmerkt door begeerte en onmacht. Vinden veel moderne mensen. En vond ook zijn tegenstander Julianus van Eclanum. Die meende dat Augustinus er een bedroevend pessimistisch en onchristelijk beeld van de mens op nahield. Begeerte was iets moois, vond hij, iets dat de mens doet uitzien naar de ander, ook seksueel. Waarom zou de mens onmachtig staan tegenover de begeerte? Als God de mens zijn geboden heeft gegeven, dan is het logisch te veronderstellen dat die geboden ook haalbaar en uitvoerbaar zijn. Waarom zou God ze anders opleggen?
Julianus vond dat de mens persoon wordt in zijn beslissingen, in zijn morele keuzen. Augustinus vond dat de mens pas persoon kan worden vanaf het moment dat hij beseft dat de grote levenskrachten hem uit elkaar scheuren.
Zo liep dit grote debat uit op de kernvraag: wat is de mens? Is hij een wezen dat naar God verlangt en die weg op eigen houtje kan afleggen? Grosso modo is dat wat Julianus denkt. Hij laat de mens zichzelf worden, persoon worden, door de moraal. Ook Augustinus ziet de mens als een wezen verlangend naar God, maar de grote levenskrachten hinderen hem daarbij. In Augustinus’ ogen zal de mens altijd moreel tekortschieten.
Voor hem ligt de kern van het geloof dan ook niet in die moraal. Daar gaat het in het geloof niet om, zoek dat zelf maar uit. Nee, als je spreekt van het verlangen naar God, dan moet je het tegelijkertijd hebben over de scherpte van de echte levenskrachten – of ze nu ambitie, seks, geloof, begeerte of verlangen heten. Alleen dan zul je de hoogten en diepten van het bestaan tegenkomen, de schoonheid en de schuld. Dus schets een mens niet meteen als zondaar, want het enige waar je op uitkomt is een gebodenreeks, een starre vorm van moraal. Je wordt een kerk waar mensen personages zijn.
Leer daarentegen een mens spreken over de grote levenskrachten voor Gods aangezicht en leer hem de schoonheid en de schuld ontdekken, de hoogten en de diepten. Leer hem spreken over zichzelf als mens in wie vertrouwen en wantrouwen samenwonen, leer hem spreken als in een confessio, een belijdenis. Dan kom je aan het personage voorbij en wordt een mens persoon. Dan wordt de mens een beetje als God. Er vindt een vergoddelijking plaats, deificatio.
Zouden we zo’n soort debat weer voeren – over het onechte ik, het valse zelf en de krachten die daarbij een rol spelen – dan zouden we weer met plezier over religie, spiritualiteit en geloof kunnen spreken. Dan zouden we aan de dode takken voorbij kunnen komen, omdat de mens een weg gaat die leidt naar hemzelf en naar God. De twee stukken van de wijsheid – zelfkennis en godskennis – zouden met elkaar verbonden zijn (met dank aan Calvijn die het aldus definieerde).
Lukt het je daarentegen niet om voorbij het onechte ik te komen, hef dan de kerk maar op. Het ging toch om een God die mens was geworden? Spreek dan dus ook over de mens als een wezen met een dubbele natuur. Want wie één van de twee wegduwt en ontkent, maakt de mens tot personage. Terwijl hij persoon wil worden. Wil zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.