In België en Zweden functioneert al jaren een bezwaarregeling zonder problemen. Hoog tijd dat ook Nederland daarvoor kiest.
Het huidige systeem voor orgaandonatie is niets anders dan het resultaat van intensief polderen. Het werd ingevoerd in 1998 toen twee ideeën lijnrecht tegenover elkaar stonden: een toestemmingsregeling en een bezwaarregeling. Bij een toestemmingsregeling kan iemand van 18 jaar en ouder toestemming geven voor het afstaan van organen. Bij de bezwaarregeling gaat men er daarentegen van uit dat na iemands overlijden diens organen mogen worden uitgenomen wanneer de donor daar tijdens het leven geen bezwaren tegen heeft geuit.
Voor een bezwaarregeling was geen politieke meerderheid te vinden, al scheelde het maar weinig. De keuze viel op een ingewikkeld en vooral tot niets verplichtend toestemmingssysteem. Vooral de VVD was en is fel gekant tegen een bezwaarsysteem. VVD coryfeeën – als Bolkestein en onlangs nog Anouchka van Miltenburg – lijken nog steeds te denken dat bij een bezwaarregeling het lichaam na de dood van de overheid zou zijn. Een gedachte waar liberalen, maar zij niet alleen, van gruwen. Onder de bevolking bestond destijds een zekere voorkeur voor een bezwaarregeling, maar permier Kok liet weten dat de bevolking daar nog niet rijp voor was!
Het doel uit 1998 – meer orgaandonaties – is nooit gehaald. Integendeel, het aantal beschikbare organen voor orgaandonatie is afgenomen. Verklaringen hiervoor zijn er in overvloed. TNO legde in de eerste evaluatie in 2001 uit dat ’de wet nog moest inslijpen’ en dat vier jaar hiervoor niet genoeg was. Onderzoeksinstituut Nivel kwam met hoopgevende toekomstscenario’s die nooit werkelijkheid werden.
Burgers blijken zich niet aan theoretische scenario’s te houden. Wel gaven al deze op verzoek van de minister uitgevoerde evaluaties hem keer op keer een alibi te om niets te doen.
Sinds 1998 is veel verbeterd aan de organisatie van de donorwerving binnen de ziekenhuizen. Het initiatief kwam van de Nierstichting en de ziekenhuizen hebben er hun volledige medewerking aan gegeven. Binnen de ziekenhuizen zien donatiefunctionarissen er op toe dat artsen bij een overlijden zich inzetten voor orgaandonatie en nagaan of een overledene heeft aangegeven bereid te zijn om donor te worden.
Zorgwekkend is evenwel, dat het aantal raadplegingen van het donorregister de laatste tijd weer afneemt na eerst een sterke groei gedurende een aantal jaren. Kennelijk verslapt de aandacht of de animo onder dokters terwijl raadpleging van het register is een onmisbare stap voor orgaandonatie.
Daar komt bij dat raadpleging gewoon een plicht is van de betrokken arts. Hierop moet de minister strikter toezien en zo nodig stappen door de inspectie laten ondernemen.
Wanneer je mensen vraagt of zij een orgaantransplantatie willen, wanneer dat medisch nodig mocht zijn, is het antwoord vrijwel altijd ja. Dat betekent dat we de wachtlijsten voor transplantatie met zijn allen creëren. Dan ligt het toch voor de hand dat we ook met elkaar een oplossing voor dit door onszelf geschapen probleem zoeken. We weten dat een orgaandonatie pas uitgevoerd mag worden wanneer de overledene daarvoor tijdens zijn leven toestemming heeft gegeven; nabestaanden sluiten zich in de regel bij de wens van een overledene aan.
Anders is de situatie, wanneer niet bekend is wat een overledene wilde. Doorgaans weigeren dan de nabestaanden. Een groot probleem is, dat van een meerderheid van de bevolking niet bekend is wat iemand wil. In die situatie weigeren de nabestaanden meestal.
De geldende wetgeving heeft die situatie niet wezenlijk verbeterd. Iets wat de opeenvolgende ministers van volksgezondheid zich wel tot taak hadden gesteld.
Er moet dus dringend iets gebeuren en dat iets moet meer zijn dan nog meer voorlichting of het uitdelen van een formulier bij het aanvragen van een paspoort of rijbewijs.
De huidige regeling heeft niet tot het door iedere nieuwe minister gewenste resultaat geleid. Dat heeft alles met de vrijblijvendheid van de wet van 1998 te maken. Een minder vrijblijvende regeling is nodig. Of men het een bezwaarwet noemt of een andere naam hiervoor bedenkt doet er niet toe.
Inzet van de regeling moet zijn dat burgers een keuze moeten maken; dat hoort bij mondig burgerschap en sluit aan bij de wens van de meesten om zo nodig een donororgaan te ontvangen. Dat betekent overigens niet dat iemand, die niet bereid is donor te zijn dan ook geen hulp mag verwachten, wanneer hij een orgaan nodig heeft. ’Voor wat hoort wat’ is een wellicht begrijpelijke maar toch een beetje primitieve reactie in dit verband.
Nieuwe scenario’s van Nivel of vergelijkbare instituten lijken overbodig, daar is al voldoende leergeld voor betaald. Minister Klink zou zich kunnen laten leiden door de vraag hoe hij zo goed en zorgvuldig mogelijk de bestaande wet kan wijzigen, ervan uitgaande dat meer organen voor donatie beschikbaar moeten komen. Misschien kan de minister te rade gaan bij de Belgen of de Zweden, waar een bezwaarregeling tot tevredenheid al werkt, maar strikt nodig lijkt het niet. Met gezond verstand komt men ook al een heel eind. En niemand zal het de minister nu kwalijk nemen wanneer hij na drie evaluaties en na negen jaar eindelijk niet functionerende wetgeving wijzigt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.