In het zesde gesprek over denken en dichten buigt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer zich over de bloem. Dichters maken ons duidelijk wat er aan haar te zien en te beleven valt.
Een verjaardag, een trouwerij, moederdag, een examen, de inwijding van een huis, ja, de Liefde zelf – zeg het met bloemen. Maar wat zeggen we dan met bloemen? En als we bloemen geven, welk verhaal krijgen we dan te horen? Heeft de bloem, de natuur ons meer te zeggen dan wij kunnen met onze dagelijkse, versleten taal?
Theo de Boer betrok de poëzie pas echt bij zijn filosofisch werk toen hij zich ging bezighouden met de filosofie van de natuur. „Hier staan filosofen namelijk met lege handen. Sinds Galileo Galilei tot de conclusie kwam dat de planeten, met inbegrip van de aarde, rond de zon draaien, is er een wetenschappelijk wereldbeeld ontstaan. Daarin heeft het begrip natuur een volkomen andere betekenis gekregen dan in onze leefwereld.’’
Natuur is geen natuur?
„Nee. De natuurkundige ’gelooft’ in atomen, protonen en neutronen of nog kleinere deeltjes. Kleuren en geuren passen niet in zijn wereld, die zouden alleen in ons hoofd bestaan.’’
Met protonen en atomen geven we geen uitdrukking aan onze verliefdheid.
„De natuur is dus meer dan wat de natuurkundige denkt. Maar wat? Bij de moderne mens is er geen gebied zo verkommerd als de natuurbeleving. Ik hoor mensen nogal eens zeggen dat zij terugverlangen naar de natuur, naar de dreigende wateren of naar de ondoordringbare oerwouden, het ontoegankelijke hooggebergte. Zij zouden waarschijnlijk na enkele dagen huilend van ellende, opgevreten door insecten en gek van de geluiden een goed heenkomen zoeken – naar de bewoonde wereld.’’
We willen geen natuur, we willen een park.
„Ja. We voelen ons het meeste thuis in eeuwenoude cultuurlandschappen als Toscane of de Provence.’’
Zonnebloemen, dus. Wat zeggen we als we die ten geschenke geven?
„Kijk, mijn vrouw is ziek, daar op tafel staat een roos, die heeft een vriendin gisteren gebracht. Wat zij zegt daarmee? Als wij een bloem cadeau geven, zien wij meestal alleen bloeiende schijn of vergankelijkheid. De beroemdste regels over de vergankelijkheid van de bloem komen uit psalm 103:
Gelijk het gras is ons kortstondig leven.
Gelijk een bloem, die op het veld verheven,
Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en
teer,
Wanneer de storm zich over ’t veld laat
horen,
Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat
verloren.
Men kent en vindt haar sta-plaats zelfs niet
meer.
Die bloemen zijn hier niet gebracht om de vergankelijkheid van uw vrouw te benadrukken.
„Nee! De gever zou beledigd zijn als je haar gift zo interpreteerde.’’
Of de schone schijn van het gewone, gezonde bestaan.
Ook niet. Je zou wel kunnen zeggen dat zo’n bloem uitbundigheid brengt. Kijk eens hoe die bloem met je meeleeft, volgende week ligt hij in de vuilnisbak, en nu staat hij daar te bloeien. Voor jou.’’
Denkt u werkelijk dat die bloem daar voor haar staat te bloeien, enkel en alleen omdat ze ziek is?
„Toen de filosoof Martin Heidegger zich de vraag stelde waarom de roos eigenlijk bloeide, citeerde hij een zin van een Duitse mysticus: ’Sie blühet weil sie blühet’. De bloem heeft geen waarom, zij bloeit omdat zij het doet. Die bloem is pure overvloed.’’
En waar komt die overvloed vandaan?
„Als je die vraag stelt aan wetenschappers krijg je een verhaal over het nut van de bloei voor de voortplanting van de bloem. Maar voor de voortplanting zou een minder overvloedige bloei ook volstaan. Bovendien vind ik het kleinburgerlijk altijd naar het nut te vragen. Als je echt wilt nadenken over die overvloed, kun je beter bij de Tsjechische dichter Sylva Fischerová te rade gaan. Dichters openen ons de ogen voor wat er in de natuur te zien is. Daarom zou de filosofie nu moeten inzien dat de poëzie een bondgenoot is. Ze levert een fundamentele bijdrage aan het ontsluiten van de werkelijkheid. De dichterlijke verbeelding is in staat de ervaring en de blik te zuiveren.’’
Doet Fischerová dat ook?
„Ja. Ik heb het idee dat Fischerová in dit gedicht een helle blik in de diepte van de natuur werpt. Met dramatische kracht roept zij de weg op van beneden naar boven. Aan het begin van het gedicht vertelt de ik-persoon dat zij een bloem ten geschenke heeft gegeven. Dan lijkt het of ze zichzelf de vraag stelt wat ze dan geeft, en vervolgens de bloem beter bekijkt. Als ze uit het stormende, onderaardse water de kelkblaadjes voor de dag haalt, ziet ze dat de bloem leeft van modder, licht, water.’’
Het gedicht gaat niet over een zonnebloem maar over een waterplant.
„Zou kunnen. Het doet wel wat denken aan ’De Waterlelie’ van Frederik van Eeden, dat dezelfde reis van het donker naar het licht beschrijft.
Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in ’t licht.
Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...
Alleen is dit een lieflijk gedicht, en dat kun je van Fischerová’s ’Bloem’ niet zeggen.’’
Kunt u dat verschil aanwijzen?
„Wat klank betreft is ’De Waterlelie’ prachtig: de afwisseling tussen de donkere o-klanken die de diepte oproepen en de i-klanken van het licht. Maar bij Van Eeden ligt de waterlelie aan het einde tevreden op het wateroppervlak, terwijl Fischerová de eerste strofe eindigt met de opmerking: ’en de bloem schreeuwde.”
Omdat ze de bloem uit elkaar heeft gehaald om beter te kunnen bekijken.
„Zo interpreteer ik deze zin helemaal niet. De ik-persoon bestudeert de bloem aandachtig, kelkblaadjes zijn klein, aanvankelijk bedekken ze de hele bloem. Je ziet ze alleen als je geconcentreerd kijkt, en als je ze voorzichtig weghaalt verschijnt de bloem.’’
Waarom schreeuwt de bloem dan?
„Van geboortepijn. Ik herinner me die schreeuw van mijn zoon. Toen hij net geboren was, bleef het stil. Dat was niet best. De verpleegster liep met hem naar de wastafel en zette de kraan open. Intussen had de dokter al om het zuurstofapparaat gevraagd. Dat bleek uiteindelijk overbodig. Voordat de verpleegster mijn zoon onder de kraan had gehouden, gaf hij een schreeuw, een schreeuw van geboortepijn, en was alles in orde.
Doordat bij Van Eeden die geboortepijn ontbreekt, krijgt het gedicht iets zoetsappigs. Je leest ook niets over het gevecht onder water, tussen bloemen, blaadjes, stengels en wortels, die openbarsten en groeien. Laat staat dat hij oog heeft voor de vele offers die er in de natuur worden gebracht.’’
Offers?
„Dat komt vooral in de laatste strofe van ’Bloem’ naar voren. De ik-persoon staat ’s morgens voor het raam, ze wil iets drinken en ziet dan de bloem, die het licht opvreet. Dat vind ik mooi gezegd: ’en vrat het licht op.’ Alsof de bloem levenshonger heeft.
Dan wordt de bloem ten geschenke gegeven, maar zij leeft zelf ook van de geschenken die de onderaardse bleke wezens haar geven. Deze ’dienaren der liefde’ hebben zich opgeofferd, zij zijn aan hun geschenken gestorven. Zij hebben het leven van de bloem mogelijk gemaakt, zonder zelf het leven te kennen.’’
Het gedicht gaat niet over een bloem, het gaat over ons. Die bleke wezens doen me denken aan witte bloedlichaampjes.
„Ja, we zouden onze kwetsbaarheid er wel in kunnen herkennen. Ook in ons bloed zitten bleke wezens die in duisternis hun werk doen, bij duizenden ten onder gaan, en ons leven mogelijk maken.
We kunnen wel geschenken geven, maar we dienen ons te realiseren dat we zelf ook leven dankzij geschenken, dankzij offers. In het gedicht zie je deze verwantschap terug: de geschenken uit de eerste regel komen in een andere betekenis terug in de laatste regel. Hoor je van een bioloog dat de natuur leeft van geschenken? De dichter zegt het.’’
En wij realiseren ons dat te weinig?
„Ik wil niet moraliseren, maar je kunt wel zeggen dat deze bloem te denken geeft. Dat beproeving iets wezenlijks is, in de natuur maar net zo goed in de geschiedenis van de mensheid. Ik vraag me af of de beproeving, het offer, nu nog een rol speelt in onze levensbeschouwing.
Ik herinner me een interview met de feministische theologe Annelies van Heijst. Zij had onderzoek gedaan naar de onderdrukking van nonnen in kloosters. Tot haar verbijstering ontdekte zij dat die helemaal niet ongelukkig waren, zich ook helemaal niet onderdrukt voelden. ’Moet ik ze feministisch opvoeden en ongelukkig maken?’, vraagt Van Heijst zich dan terecht af. Wij kunnen ons nauwelijks meer voorstellen dat deze vrouwen, die voor hun geloof grote offers brengen, nog gelukkig kunnen zijn.’’
Waarom maken offers dan gelukkig?
„Zelfopoffering is vervulling. Wie zichzelf een taak heeft gesteld, moet een offer brengen om die taak goed te vervullen.’’
Amerikanen offeren zich nog wel op voor volk en vaderland.
„Niet alleen Amerikanen, ook terroristen. De mens heeft een honger zichzelf op te offeren, en wereldleiders hebben daar altijd graag gebruik van gemaakt. Offers zijn politiek gevaarlijk materiaal.’’
Hoe moet je daar tegenaan kijken?
„Je moet je afvragen wat de inzet is. Wat brengt het offer tot stand, wat gaat er bloeien door het offer? Zo geeft de bloem van Fischerová ook het criterium: bloei, niet vernietiging is het doel.’’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.