Debutante Perquin heeft oog voor het gewone: het espressoapparaat, de verhuizing.
’Servetten halfstok’ van Ester Naomi Perquin (1980) is een debuut in de traditionele trant. In netjes afgewerkte en gestrofeerde gedichten komen alledaagse onderwerpen aan bod in een context die het ongewone ervan soms treffend weet te suggereren. Perquin schrijft over een gestrande walvis als over een reusachtig fabeldier met vleugels, ziet bij volle maan het silhouet van een zich scherende man in diens badkamerraam die ‘de wolf van zijn gezicht [snijdt]’, of portretteert twee geliefden ‘in een halfvreemd bed’, alsof de scheiding in spe al tussen hen in ligt. Ook heeft zij oog voor het aan Vasalis en anderen herinnerende ‘klein geluk’, dat vaak groot geluk is dat we gewoon zijn gaan vinden.
De ongewone invallen en associaties waarmee zij het alledaagse allure geeft, laten haar ook weleens in de steek, maar meestal slaagt Perquin er toch in aan haar voorstellingen een suggestieve meerwaarde mee te geven.
Zo kijk je toch even vreemd tegen het fysiek aan wanneer zij in ’Reïncarnatie’ nogal onorthodox over een zielsverhuizing fantaseert waarbij háár lichaam vacant is. ’Wil iemand in mijn benen lopen’, vraagt zij zich af. En: ’wie wil mij aan?’ Het lichaam als een soort kledingstuk Wat meteen een typisch westers (hindoestanen zien het anders) identiteitsprobleem oplevert: ,,Hoe weten zij hoe ik mij was? / Welk nog onzichtbaar etiket / is in mijn nekrand vastgezet?’’
In ’De notulist’ is de in de titel genoemde pennenvoerder geen persoon, maar een huis te midden van een ‘toevallige vergadering van huizen’. Hij notuleert de geruchten van jarenlange bewoning in ’een steno dat geen mens herkent’. Een steno van steen zeg maar. Dit ietwat bizarre gegeven leent ons als het ware het mysterieuze oor en schrift van steen, en dan klinkt het banaal alledaagse toch net even anders: ,,Hij stelt op schrift zijn horen bij, / noteert de koppigste muziek / van hun espressoapparaten’’.
Dit bizarre oppimpen van de gewone werkelijkheid kenmerkt ook het gedicht ‘Thuiswedstrijd’, dat een uitvaartdienst beschrijft. Zo’n treurige gelegenheid roept bij de bezoekers altijd de herinnering op aan hun eigen, in de woorden van Perquin ’eerdere doden’. Ze brengt hun schimmen dan ook speels macaber in beeld: ,,onze verliezen bestormen het veld, // koren scanderen massaal oude namen’’; ze gaan ’als wilde supporters tekeer’. Inderdaad een thuiswedstrijd voor de doden, zo’n uitvaartdienst.
Anders van sfeer, meer surreëel dan bizar, is ’Staatsgeheim’ (zie kadergedicht). Het heeft als verzwegen achtergrond dat velen het gevoelsmatig onbegrijpelijk en dus beangstigend vinden dat een vliegtuig, zwaarder dan lucht, kan vliegen.
Het gedicht biedt een groteske verklaring. Verstopt op zijn romp zit een dun touw waaraan ’de overmaatse vogel’ hangt als hij ’vliegt’. Dat hij niet vliegt maar hangt (waaraan??), is ’staatsgeheim’, dat de overheid middels ’trucages’ zorgvuldig in stand houdt.
De stewardessen zijn door zwijgplicht danwel geloofsdwang in het complot opgenomen. Strofe 3 beschrijft de wonderlijke sensatie dat, eenmaal in de lucht en op koers, al dat logge en zware van beneden opeens een idee-fixe lijkt te zijn. Begrip komt er ook nu niet aan te pas maar dat vindt men wel best zo: ‘Wat niet weet, wat niet valt’.
Met de slotstrofe treedt een (gespeelde?) verwondering binnen wanneer de tot dan toe alwetende vertelinstantie zich verbaasde vragen stelt die het gedicht meteen komisch en gelikt plastisch afronden. Het gewone en ongewone zijn hier niet meer uit elkaar te houden.
Naast zulke speelse hoogtepunten bevat de bundel ook meer realistische verzen. ‘Winter’ is een aangrijpende klacht van een ouder, wiens zoontje onder het ijs verdronken is en die het niet verdragen kan dat het daarna gewoon weer lente wordt: ’Geen voorjaar dat hem kennen wil’. Verhuizing, liefde, kinderangsten of de extreme makeover van een slaapkamer met als doel elk spoor van een voormalige geliefde uit te wissen komen ook aan bod. Een heel behoorlijk debuut, met ook een aantal al te keurige verzen, maar die zullen we Perquin pas aanrekenen in haar tweede bundel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.