Gemeenten mogen van minister Ter Horst een eigen alcoholbeleid gaan voeren. Het past in een trend om het lokale bestuur steeds meer te zeggen te geven. Alleen weten veel gemeenten nog niet zo goed wat ze met die vrijheid aan moeten.
De leeftijdsgrens voor het bestellen van een biertje is nu landelijk nog 16 jaar. Maar het kabinet stemde gisteren in met een voorstel van minister Ter Horst van binnenlandse zaken, waardoor gemeenten die grens straks op eigen houtje mogen verhogen. Ook de controle op het naleven van de leeftijdsgrens wil Ter Horst bij de gemeenten leggen.
Je zou het kunnen opvatten als een handige manier van de minister om de Tweede Kamer te omzeilen. Die weigerde eerder namelijk om de minimumleeftijd voor de verkoop van alcohol te verhogen naar 18 jaar.
Maar bovenal passen de voorstellen in het beleid van dit kabinet om het lokale bestuur steeds meer te zeggen te geven. Als het aan Ter Horst ligt, krijgen de gemeenten bijvoorbeeld 150 miljoen euro, die ze vrijelijk aan het verbeteren van de veiligheid kunnen besteden. Hoe ze dat precies doen, hoeven ze niet aan het Rijk te verantwoorden.
Het is een maatregel die deel uitmaakt van het ’Bestuursakkoord’ tussen Rijk en gemeenten, waarover Ter Horst nu met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) onderhandelt. Daarin worden naar verwachting nog veel meer bevoegdheden overgeheveld naar de gemeenten.
Ook onder Ter Horsts voorgangers werd er al een tijdlang driftig gedecentraliseerd en gedifferentieerd. Het idee erachter is, dat niemand gebaat is bij uniforme regels die voor alle gemeenten hetzelfde zijn.
Daarom probeerde bijvoorbeeld de ’Rotterdamwet’ uit 2005 de grote stadsproblemen te bestrijden door aan grote gemeenten speciale bevoegdheden te geven die andere gemeenten niet hebben. En een commissie onder leiding van Jozias van Aartsen presenteert volgende week een rapport over de vraag of de Gemeentewet aangepast moet worden, om zulke ’speciale behandelingen’ nog beter mogelijk te maken.
Het zijn goede ontwikkelingen, volgens bestuurskundigen.
„De problemen in Amsterdam zijn anders dan in Achtkarspelen”, zegt Marcel Boogers van de Universiteit van Tilburg. Maar de op maat gesneden regelgeving ligt vaak wel gevoelig, vertelt Peter de Goede van de Raad voor Openbaar Bestuur, die er deze week een rapport over presenteerde.
„Het idee dat wetgeving voor alles en iedereen gelijk dient te zijn zit diep. Gemeenten kúnnen vaak best afwijkend beleid maken, maar ze durven niet. Als je andere belastingen en sportvoorzieningen hebt dan een buurgemeente, moet je daar een goed verhaal bij hebben.”
Bovendien gaat de decentralisatie sommige gemeenten gewoon te hard, denkt Boogers. „Er is zoveel gedecentraliseerd de laatste jaren, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, onderwijsbeleid, grote stedenbeleid. Veel gemeentes krijgen nauwelijks de tijd om eens rustig na te denken hoe ze dat in de praktijk vorm moeten geven. En dus zie je dat ze zich in de praktijk gewoon weer conformeren aan de standaardrichtlijnen van de VNG.”
Hoe harder er dus gedecentraliseerd wordt, des te minder tijd gemeentes hebben om daadwerkelijk eigen beleid uit te denken. Een paradox, waardoor Boogers „een beetje sceptisch is” over de dadendrang van Ter Horst. „Hou nou juist eens een tijdje op met beleid decentraliseren, dan pakken de gemeenten hun ruimte vanzelf wel.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.