De geschiedenis van ABN Amro is terug te leiden tot 1824. Op 9 maart van dat jaar richtte Koning Willem I de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) op, om de handel en industrie in Nederland te stimuleren. De industriële revolutie zorgde in omringende landen voor een snelle ontwikkeling van het banksysteem, maar in Nederland kwam de revolutie pas in de tweede helft van de negentiende eeuw echt op gang.
De NHM speelde in haar eerste jaren vooral een rol als staatsbankier en als handels- en transportonderneming voor Nederlands-Indië. De bank was uitvoerder van het zogenoemde Cultuurstelsel, waarmee het zowel lof als ernstige kritiek oogstte. De NHM inde en verkocht belastingen in natura, als koffie, thee, suiker en rubber. De bank financierde ook bedrijven die plantages beheerden en was ook zelf eigenaar van plantages.
Na afschaffing van het Cultuurstelsel in 1870 werd de focus verlegd naar industrieën in eigen land. Zo stond de bank aan de basis van bijvoorbeeld de staalproducent Hoogovens, maar ook van de in de negentiende eeuw sterk geëxpandeerde Twentse textielindustrie. In de Eerste Wereldoorlog stond de NHM aan de basis van de Nederlandsche Overzee Trustmaatschappij, die de buitenlandse handel en daarmee de voedselvoorziening van het neutrale Nederland zeker stelde.
Vanaf de oprichting door koning Willem I is de relatie met het koningshuis hecht gebleven. Tot 1929 werd het bankbestuur zelfs door het staatshoofd benoemd. In 1936 bood de bank Prins Bernhard een stage aan om kennis te kunnen maken met de Nederlandse en Indische economie. De Oranjes, zo doet het verhaal, bezitten nog altijd een flink deel van de aandelen in het huidige ABN Amro.
In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw begon de bank met het opbouwen van de binnenlandse organisatie. Halverwege de jaren twintig werd het bekende kantoor aan de Vijzelstraat in Amsterdam het nieuwe hoofdkantoor van de NHM. De overname van de Geldersche Credietvereeniging in 1936 luidde het opbouwen van een eigen kantorennet in.
In die jaren tussen de twee wereldoorlogen werd het Nederlandse bankenlandschap langzaam volwassen. De vijf grote banken in die tijd, naast de NHM de Twentsche Bank, de Amsterdamsche Bank, de Rotterdamsche Bank en de Incassobank, nemen in die periode ongeveer 140 kleinere banken en kassiers over.
In 1948 vond voor het eerst een grote consolidatie plaats toen de Amsterdamsche Bank de kleinste van de vijf, de Incassobank, overnam. De vier overgebleven handelsbanken fuseerden vervolgens in 1964. De NHM vormde samen met de Twentsche Bank de Algemene Bank Nederland (ABN). De fusie bood beide bedrijven nieuwe kansen: de NHM is vooral in het buitenland sterk, maar in Nederland de kleinste van de vier bankbedrijven. De Twentsche Bank bezat juist een stevige klantenbasis in Nederland en zocht internationale expansie. In hetzelfde jaar kondigden ook de Amsterdamsche en de Rotterdamsche Bank hun fusieplannen aan, en gingen verder onder de naam AMRO Bank.
ABN versterkte zijn positie in de jaren zestig onder meer door het overnemen van de Hollandsche Bank-Unie in 1967, dat vooral groot was in Zuid-Amerika. Verdere internationale expansie volgde uit de overname van LaSalle National Bank, in 1979. Hiermee kreeg ABN een positie in de Verenigde Staten, in latere jaren de tweede thuisbasis van de bank. In 1990 groeide de bank daar verder door de overname van Exchange Bancorp of Chicago.
De AMRO Bank groeide in de jaren zestig en zeventig vooral door de particuliere rekeninghouders. Met het snel stijgende gezinsinkomen in Nederland werd de grote middengroep een steeds interessantere doelgroep. Op de zakelijke markt breidde de bank uit door meer overnames, waaronder Pierson, Heldring & Pierson in 1975. Toen de Europese eenwording naderde, voerde AMRO een tijdje tevergeefs gesprekken met de Belgische Generale Bank, om zo een internationale bank op Europees niveau te kunnen creëren.
In 1990 verrasten ABN en AMRO vriend en vijand door een fusie aan te kondigen. Tot dan werden de banken gezien als elkaars aartsrivalen, maar een versoepeling van de fusieregels voor financiële instellingen maakte een samengaan mogelijk. De fusie werd toegejuicht door toezichthouder De Nederlandsche Bank, omdat de positie van Nederland op financieel gebied werd versterkt. Beide banken waren gelijkwaardig, zowel in balanstotaal als in aantallen werknemers, waardoor een fusie een relatief eenvoudige operatie was. De nieuwe combinatie werd in grootte de zesde bank van Europa, en de negentiende in de wereld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.