*

 

Terug naar de oorsprong

door Belinda van de Graaf − 24/01/07, 00:00

Vanavond begint het Rotterdams Filmfestival. Een van de hoogtepunten is ’Ten Canoes’, de eerste film die geheel is opgenomen in de taal van de Aboriginals. De talen van minderheidsgroepen zijn in opkomst in de film.

’Ik was nog een jongetje toen ik wegging uit Nederland”, vertelt de Australische regisseur Rolf de Heer. „De Nederlandse taal spreek ik helaas niet meer, maar wat nog wel erg Nederlands aan mij is, is mijn calvinistische arbeidsethiek.”

De Heer grinnikt. Hij is ter gelegenheid van de wereldpremière van ’Ten Canoes’ op het Filmfestival van Cannes. Een lange slanke man, midden vijftig, met het grijze haar in een staart, en op het hoofd een strooien hoed. Hij ziet er precies zo uit als in de documentaire ’The Balanda and the Bark Canoes’, die hij met co-regisseurs Tania Nehme en Molly Reynolds maakte, en die al was te zien op het afgelopen International Documentary Festival Amsterdam (Idfa).

De documentaire is een vijftig minuten durende ’making of’ van ’Ten Canoes’, waarin De Heer de ontstaansgeschiedenis van zijn bijzondere, in Cannes bekroonde filmproject, en de bizarre productie-omstandigheden, uit de doeken doet. Op uitnodiging van de vooraanstaande Australische Aboriginal-acteur David Gulpilil, met wie De Heer eerder zijn prachtfilm ’The Tracker’ opnam, kwam hij in Arnhem Land terecht, het leefgebied van de Aboriginals in het uiterste noorden van Australië.

Arnhem Land, zo weet De Heer, is vernoemd naar het Nederlandse schip De Arnhem dat er in 1623 de kust verkende. ’Balanda’, het woord waarmee De Heer in zijn documentaire zélf wordt aangeduid, betekent ’witte’ of ’blanke’ en is afkomstig van het woord ’Hollander’. De Hollanders waren de eersten die in contact kwamen met de Yolngu, ’de mensen’ die in het gebied leefden, en die er nog steeds leven, ondanks talrijke bloedbaden, met name aangericht door de Engelse kolonisten.

De Heer liet zich zeven jaar geleden op voorstel van acteur David Gulpilil door het gebied leiden. De mannen gingen vooral veel samen vissen. En De Heer maakte kennis met het Arafura Moeras: 130.000 hectare moerasgebied waar de grootste hoeveelheid krokodillen ter wereld huist. In de stad Ramingining leerde hij over de vijftien verschillende stammen en de acht verschillende taalgroepen. En hij merkte dat Gulpilil en anderen die hij ter plekke ontmoette, dolgraag een film met hem wilden maken. Geen documentaire, maar een speelfilm. Er moest een mythe in zitten. En humor.

De Heer: „Op een dag kwam Gulpilil naar me toe. Hij zei: we hebben tien kano’s nodig. Ik antwoordde dat we nog niet eens een scenario hadden, een verhaal, acteurs, laat staan dat ik zou weten wat ik met tien kano’s moest. Gulpilil vertrok en kwam terug met een oude foto. Ik keek ernaar en zei: we hebben tien kano’s nodig.”

De Heer refereert aan de foto van Dr. Donald Thomson, een antropoloog die in de jaren dertig in Arnhem Land werkte, toen in het gebied nog een vrij traditioneel leven werd geleefd. Thomson maakte foto’s van alledaagse dingen, kapsels, kleding, het maken van kano’s, hutten en speren, het vangen van ganzeneieren. „Punt is”, vertelt De Heer, „dat Dr. Thomson schitterend fotografeerde, het Museum Victoria heeft de zogeheten Thomson Collection aangelegd, bestaand uit duizenden prachtige glasplaatfoto’s. Nitraatfilms maakte Thomson indertijd ook, maar die zijn allemaal bij een brand verloren gegaan.”

Na het zien van ’Ten Canoes’, waarin de foto’s van Dr. Thomson als belangrijke inspiratiebron dienen, kun je je niet aan de indruk onttrekken dat er met De Heer een nieuwe Dr. Thomson is opgestaan, die de bewoners hielp om een eigen speelfilm te maken, waardoor ze ook weer wat achting kregen voor hun eigen taal, cultuur en geschiedenis. Want daar is het niet best mee gesteld, weet De Heer. Het idee dat de ’inlandse’ cultuur minderwaardig zou zijn aan de ’blanke’ cultuur, heerst erg sterk onder de oorspronkelijke bewoners.

Daarom ook de nadruk op de eigen taal, zoals Ken Loach vorig jaar met zijn film over de Ierse onafhankelijkheidsstrijd in de jaren twintig, ’The Wind That Shakes the Barley’, ook het belang van de eigen taal benadrukte. Britse soldaten met baretten en bajonetten executeerden daarin een 17-jarige Ierse jongen die weigerde zijn naam in het Engels uit te spreken, en die dus weigerde zich te laten onderdrukken.

Momenteel draait ’Indigènes’ in de bioscoop, de oorlogsfilm van de Frans-Algerijnse regisseur Rachid Bouchareb, over het vergeten verhaal van de Algerijnse soldaten die in de Tweede Wereldoorlog in het Franse leger dienden, en meehielpen Frankrijk te bevrijden. Ze leerden het Franse volkslied zingen, maar van gelijkheid en broederschap was geen sprake, niet tijdens de oorlog, en ook niet daarna. Als de van oorsprong Algerijnse zanger Khaled begint te zingen – in het Algerijns – gaat dat door merg en been.

Nog ijzingwekkender wordt de taal ingezet in ’Bamako’ van de Malinese meester Abderrahmane Sissako, de terecht gekozen ’Filmmaker in Focus’ van het filmfestival in Rotterdam. Sissako ensceneerde op de binnenplaats van zijn huis in Mali een rechtszitting, waarin de Afrikaanse bevolking het IMF en de Wereldbank aanklaagt. In deze wonderlijk vormgegeven constellatie, waarin het dagelijkse leven op de binnenplaats ook gewoon doorgaat, vliegen de argumenten in het rond, en lopen de emoties op. Bekaf ben je van de knetterende, Franse dialogen, totdat er een oude man opstaat die te midden van alle tumult een gezingzegd lied aanheft, in de eigen taal, het Bambara. Wij weten niet wat de oude man zegt, want Sissako vertaalt of ondertitelt bewust niet. Maar het effect is groot. Tranen biggelen over wangen. Omdat je begrijpt dat de oude man zich alleen in zijn eigen taal kan uitdrukken, in een vorm die bij een van de grote tradities van de streek hoort, namelijk al reciterend. Het is niet alleen het gevoeligste maar ook belangrijkste moment in de film, het moment waarop plotsklaps de taal van de kolonisator wordt weggewuifd. Opeens begrijp je dan ook waarom de Afro-Amerikaanse Hollywood-acteur Danny Glover en de Palestijnse filmmaker Elia Suleiman in een absurd western-intermezzo in de film opduiken.

Mel Gibson laat het Maya-tijdperk herleven in zijn bloederige actiespektakel ’Apocalypto’, en laat zich voorstaan op een film die geheel is opgenomen in de Maya-taal. Precies zoals hij ’The Passion of the Christ’ opnam in Latijn en Hebreeuws. Om de authenticiteit te verhogen.

Terrence Malick kwam vorig jaar met ’The New World’, waarin hij het verhaal van het indianenmeisje Pocahontas opnieuw vertelde, jonglerend met het idee van de mooie, nobele wilde, die dan opeens vloeiend Engels spreekt. Clint Eastwood heeft een oorlogsfilm, ’Letters from Iwo Jima’, opgenomen in het Japans, met Japanse acteurs, over de strijd om het vulkanische eiland Iwo Jima tijdens de Tweede Wereldoorlog. De club die de Golden Globes jaarlijks uitreikt, raakte er zo van in de war, dat ze Gibson nomineerde en Eastwood uiteindelijk bekroonde, in de categorie ’Beste film in buitenlandse taal’.

De Heer is ondertussen nog druk aan het vertellen over de Aboriginals en de ’volkomen eigen kosmologie’ die ze erop na houden. De Heer: „Ze nemen alles heel letterlijk. En er is bijvoorbeeld geen verschil tussen het woord ’kunst’ en ’kunstenaar’, dat is in de Aboriginal-taal hetzelfde. De woorden ’ik’ en ’jij’ kennen ze niet, maar ze hebben wel zestien verschillende woorden voor ’wij’.” De Heer keert terug naar de oorsprong, via de taal, zoals opvallend veel andere filmmakers op dit moment. Het zijn oorlogsverhalen, over oorspronkelijke bewoners en bandieten.

Het International Film Festival Rotterdam duurt tot en met zondag 4 februari.

mailIcon print |