*

 

Ze doen niet mee om ergens bij te horen, maar om hun honger naar spiritualiteit te stillen

Jan Greven − 02/01/07, 00:00

In de tweede helft van de jaren zeventig werkte ik bij de Ikon waar de eindredactie van de tv-kerstnachtdienst een van mijn taken was. Wat dat inhield leerde ik van Gerrit Lammens.

Gerrit behoorde tot de Liturgische Beweging, een oecumenisch gezelschap liturgievernieuwers. Hij doceerde dat vak aan de Vrije Universiteit.

Kijk, zei Gerrit, „dat ’Stille nacht, heilige nacht’ mogen ze niet zingen. Op en top romantiek, nauwelijks christelijk. Kost altijd tijd om dat uit te leggen. En verder wil de traditie dat Psalm 2 gelezen wordt.” Plaatselijke viering, liturgisch bijgespijkerd door de Liturgische Beweging, daar kwam het in de praktijk op neer.

Door dat verleden kijk ik op kerstavond altijd even naar de Ikon. Kerstnachtdiensten zie je daar al lang niet meer. Dit jaar waren we in de Amsterdamse Uilenburger synagoge. Met om te beginnen een herinnering van Ed van Thijn hoe hij op kerstnacht als klein, bang jongetje, opgepakt tijdens zijn onderduik, het ’Stille nacht, heilige nacht’ in de gevangenis hoorde. Ontroerend, al moest ik toch even aan Gerrit denken toen dat lied de rij kerstliederen opende.

En wat zou Gerrit gezegd hebben van ’O, Denneboom, o Denneboom’, dat collega columnist Youssef Az-ghari als favoriet kerstlied opgaf? Om maar te zwijgen van het Hazeslied ’Met Kerst ben ik alleen’, de keus van de in Dagestan ontvoerde Arjen Erkel. Aan het slot zong iedereen ’Komt allen te samen’ en dat verbond de aanwezigen. Liturgisch gezegd: er ontstond gemeenschap. Als kijker zag je het, ervoer je het en dat ontroerde.

Het was wél een heel ander soort gemeenschap dan die van ’mijn’ diensten. Qua gemeenschap begonnen we indertijd niet met lege handen. Die was er al: de plaatselijke kerkelijke gemeenschap die als onderdeel van Gods volk de komst vierde van Christus als Heer van de volkeren. Daarom lazen we Psalm 2 en noemden in de gebeden het kwaad in de wereld met naam en toenaam. En de rol van de televisie? Die registreerde. Het programma van afgelopen kerstnacht begon met persoonlijke levensverhalen die vertelden waarom een bepaald lied met Kerstmis zo dierbaar was. Van gemeenschap van te voren was geen sprake. Die schiep de televisie aan het slot. Het was een moment. Vluchtig, ongetwijfeld. Maar toch. De kijker voelde zich verbonden met de mensen in de synagoge waar ook niemand van te voren bij elkaar hoorde.

Ik had deze analyse niet kunnen maken als ik niet juist in deze dagen twee boeken over ontwikkelingen in de liturgie gelezen had. Het eerste is van Marcel Barnard, het andere van Paul Post. Alle twee hoogleraar liturgie. ’Liturgie voorbij de Liturgische Beweging’ is de titel van Barnards boek. De Liturgische Beweging van Lammens en zijn kompanen uit de jaren zestig legde het accent, aldus Barnard, op de gemeenschap van de voorgegeven kerkelijke confessie en beoordeelde van daaruit de wereld. Precies dat lieten wij zien in ’onze’ kerstnachten. De tijd van die beweging is voorbij, gaat Barnard verder. Als mensen in deze tijd behoefte hebben aan gemeenschap, dan is dat niet om ergens bij te horen, maar om hun honger naar spiritualiteit te stillen. Bijvoorbeeld op kerstavond voor de televisie. Even een moment van spiritualiteit, van gemeenschap. Tijdelijk. Haast vloeibaar. Toch heel belangrijk.

In dertig jaar is veel veranderd. Ik ben ook veranderd. Opgeschoven richting laat- of postmodern. Als ik het nog niet wist, weet ik het na deze Ikon-kerstavond. ’Stille nacht’, ’O, Denneboom’ (al is dat nog altijd met moeite), van mij mag het, en ik hoop postuum van Gerrit ook. Samen met André Hazes blijken ze een opstap te kunnen zijn naar gemeenschap rond ’Komt allen te samen’. Dankzij het medium dat niet meer alleen registreert maar zelf een nieuwe werkelijkheid schept.

Tot slot wil ik twee boeken noemen die hoewel over heel andere onderwerpen toch hierbij aansluiten. Het eerste gaat over de vraag hoe je een middeleeuwse kerk zo kunt restaureren dat hedendaagse liturgieviering er in past. Dat wil zeggen, de traditionele liturgieviering. Geen postmoderne, ad hoc gemeenschap stichtende liturgie. Loopt het boek daarmee niet achter de ontwikkelingen aan?

Het andere boek gaat juist wel uit van postmoderne ervaringen en biedt een handreiking voor de juiste toon bij uitvaarten waar ’toch iets gezegd moet worden’. Goed idee om praktische tips te geven en nuttig om iets te doen aan die verlegenheid.

mailIcon print |